Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBARN:2009:BK7904

Rechtbank Arnhem · 11-11-2009 · zaaknummer 176803

Civiel rechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Overgelegde geschrift betreft een onderhandse akte. Art. 157 lid 2 Rv bepaalt dat een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij tussen partijen dwingend bewijs oplevert omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen. Gezien de tekst van de akte is deze bestemd te bewijzen, dat gedaagde een bedrag van DM 60.000,- (€ 30.677,51) als geldlening van eiser heeft ontvangen en dat hij daarover een rente van 4% per jaar verschuldigd is. Art. 157 lid 2 Rv blijft ingevolge art. 158 lid 1 Rv buiten toepassing waar het onderhandse akten betreft waarin verbintenissen van slechts één partij zijn aangegaan of vastgelegd, voorzover die verbintenissen strekken tot voldoening van een geldsom, tenzij de akte handgeschreven is of voorzien van een goedschrift. Geconstateerd moet worden dat in de akte van geldlening zoals die is overgelegd,slechts verbintenissen van gedaagde zijn vastgelegd, namelijk tot betaling van rente en (uiteindelijke) terugbetaling van de geleende som aan Sehling, verbintenissen dus die strekken tot voldoening van een geldsom. Gedaagde betoog dat, nu het goedschrift ontbreekt, art. 157 lid 2 Rv buiten toepassing blijft en dat aan de onderhandse akte geen dwingende bewijskracht toekomt. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer faalt en overweegt daartoe als volgt. Art. 158 lid 2 Rv maakt een uitzondering op de werking van het eerste artikellid ingeval de verbintenissen door de schuldenaar zijn aangegaan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Nu gedaagde tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard dat de brief is opgesteld om aan de bank te kunnen laten zien teneinde een geldlening van die bank te kunnen verkrijgen ten behoeve van zijn autobedrijf, is de rechtbank van oordeel dat hij bij ondertekening van de overeenkomst d.d. 15 juli 1988 in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft gehandeld. Ook de omstandigheid dat de overeenkomst is opgemaakt op briefpapier van het bedrijf van gedaagde wijst in die richting. Dit betekent dat art. 158 lid 1 Rv ten aanzien van de akte niet van toepassing is, zodat daaraan conform art. 157 lid 2 Rv dwingende bewijskracht toekomt.

Advocaten

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

  • [gedaagde]

    gedaagde · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.