ECLI:NL:RBARN:2006:AW2482
Rechtbank Arnhem · 09-03-2006 · zaaknummer 136675
Inhoudsindicatie
Partijen zijn het er over eens dat gedaagden door de aanwezigheid van de (thans nog in oprichting zijnde) garage hinder toebrengt aan eisers. Of sprake is van onrechtmatige hinder hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening dient te worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen te treffen ter voorkoming van (verdere) schade. Daarbij heeft te gelden dat de aanwezigheid van een bouwvergunning de houder ervan niet zonder meer vrijwaardt voor aansprakelijkheid wegens het veroorzaken van onrechtmatige hinder. De belangenafweging die de civiele rechter dient te maken is in deze situatie niet wezenlijk anders dan die het bestuursorgaan maakt voordat het beslist op een vrijstellingsverzoek. Dit betekent dat (ook) het college van burgemeester en wethouders zich een oordeel heeft gevormd (of had moeten vormen) over de hinder die het oprichten van een garage met een dergelijke oppervlakte zou meebrengen. In een situatie waarin het bestuursorgaan een (voor bezwaar en beroep vatbaar) oordeel heeft gegeven (of heeft kunnen geven) over mate van hinder, past de civiele rechter enige terughoudendheid. Voorkomen moet worden dat een afweging van een bestuursorgaan die formele rechtskracht heeft verkregen (opnieuw) aan de orde wordt gesteld.
Rechters
Advocaten
- E.D. Omvlee
- F.J. Boom
- J.A. Beekers
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
