ECLI:NL:RBARN:2004:AR8790
Rechtbank Arnhem · 17-11-2004 · zaaknummer 94906
Inhoudsindicatie
Voldoende annemelijk dat tussen de aan Merks toe te rekenen factoren en de calamiteit een concicio sine qua non-verband bestaat, hetgeen redelijkerwijs niet kan worden gezegd van de aan Van Helvoirt toe te rekenen factor. Tegen deze achtergrond zullen de vorderingen in conventie en in reconventie moeten worden beoordeeld. Aangezien niet in geschil is dat Merks Van Helvoirt ook voor de kosten van de eerste boring moet betalen en het totaal van deze twee boringen volgens de beide partijen is afgemaakt op in totaal f. 200.000,-- (€ 90.756,04), is dit onderdeel van de vordering van Van Helvoit toewijsbaar, inclusief de omzetbelasting die Van Helvoirt heeft afgedagen, nu daartegen geen verweer is gevoerd. Hetzelfde geldt voor de door Van Helvoirt gevorderde stagnatiekosten ad f. 78.570,-- (€ 35.653,51).
Rechters
Advocaten
- J.A.M. Smeekens
- J.C.N.B. Kaal
- L. Knoups
- P.J.P. Severijn
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
