ECLI:NL:RBARN:2004:AR3849
Rechtbank Arnhem · 14-09-2004 · zaaknummer 115785
Inhoudsindicatie
De voorzieningenrechter is bevoegd om in kort geding op de voet van art. 3:300 lid 2 BW te bepalen dat zijn uitspraak in de plaats zal treden van een (deel van een) akte als bedoeld in die bepaling. Dat heeft evenzeer betrekking op het in art. 3:174 lid 1 BW geregelde geval dat een machtiging wodt verleend tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed. (HR 21 juni 2002, NJ 2002, 420). Dat dient een praktisch belang in gevallen met spoedeisende omstandigheden waarin aannemelijk is dat een machtiging op grond van art. 3:174 BW zou zijn verleend indien daarom was verzocht. Daarvoor is nodig dat sprake is van gewichtige redenen.
Rechters
Advocaten
- J.L. Zegelink
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
[gedaagde]
gedaagde · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
