ECLI:NL:RBARN:2004:AP5787
Rechtbank Arnhem · 09-06-2004 · zaaknummer 99304
Inhoudsindicatie
Overeenkomstenrecht; De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of de Overeenkomst d.d. 23 juni 1995 is geëindigd en zo ja wanneer, en zo nee wanneer deze eindigt dan wel moet eindigen. Het gaat met andere woorden om de uitleg van artikel 8 van de Overeenkomst. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van artikel 8 van de Overeenkomst grammaticaal kan worden uitgelegd niet alleen zoals K’an Herb betoogt maar tevens zoals Euroherbs verdedigt. Beide interpretaties zijn naar het oordeel van de rechtbank verdedigbaar. De rechtbank benadrukt echter dat de vraag, hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van die bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers volgens vaste jurisprudentie (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635) aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Advocaten
- F.J. Boom
- H.M. de Mol van Otterloo
- J.E. van der Meer
- J.M. Bosnak
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
