ECLI:NL:RBARN:2004:AP1220
Rechtbank Arnhem · 03-03-2004 · zaaknummer 103894
Inhoudsindicatie
Indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van de stellingen van de vader dan is niet reeds op voorhand uit te sluiten dat er sprake kan zijn van een situatie waarin dezelfde door de dochter gestelde schade veroorzaakt is door onrechtmatige gedragingen van twee personen terwijl voor elk van deze gedragingen geldt dat de schade zonder die gedraging niet zou zijn ingetreden. In dat geval van samenlopende oorzaken moet uitgegaan worden van hoofdelijke verbondenheid van de vader en de zoon waarin, nu de vader in de hoofdzaak door de dochter voor het geheel van de schade wordt aangesproken, de verplichting van de zoon besloten ligt om de vader te vrijwaren van het voor zijn rekening komende deel van de schade. Of daartoe aanleiding is moet naar de maatstaf van artikel 6:101 BW tussen de partijen in het vrijwaringsgeding worden beoordeeld. Dat hangt af van de primaire causaliteitsafweging en -zonodig- de billijkheidscorrectie. In het incident kan daarop niet worden vooruit gelopen. Datzelfde geldt voor het verjaringsverweer van de dochter: dat moet, indien de zoon het zal voeren, in het vrijwaringsgeding worden beoordeeld.
Rechters
Advocaten
- A. van Bon-Moors
- A.H.J. Damminga
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
