Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBARN:2003:AF5043

Rechtbank Arnhem · 16-02-2003 · zaaknummer Awb 02/2075

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Art. 24.6 WW. In bepaalde gevallen kan verweerder van een werknemer verlangen een loonvordering tegen zijn werkgever in te stellen. Eiser ontvangt sinds 27 december 2000 een WW-uitkering op basis van 40,75 arbeidsuren per week. Voorafgaande aan deze datum heeft eiser contracten voor bepaalde tijd met X gehad voor minimaal 100 uur per 4 weken. M.i.v 12 februari 2001 is eiser een contract voor onbepaalde tijd aangegaan met X voor minimaal acht uur per 4 weken. Verweerder is van oordeel dat gebleken is dat eind juli 2001 een periode van drie maanden af te bakenen is waarin eiser gemiddeld 24,52 uren per week werkzaam is geweest. Eiser is door verweerder m.i.v. 30 juli 2001 WW-uitkering blijvend geweigerd voor het aantal uren waarop eiser recht zou hebben op loon van zijn werkgever, nl. 24,52 uren per week. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het kader van de toepassing van art. 24.6 WW in beginsel een verzekerde kan wijzen op het (moeten) inroepen van het rechtsvermoeden in de zin van art. 7:610b BW. In bepaalde gevallen kan verweerder, bijvoorbeeld indien de werkgever zich niet gebonden acht aan het rechtsvermoeden, van de werknemer verlangen dat deze een loonvordering bij de kantonrechter instelt. Daarbij dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank de kans van slagen van deze loonvordering alsmede de mogelijke, uit de loonvordering voortvloeiende, nadelige gevolgen voor de werknemer, gemotiveerd in zijn beoordeling te betrekken. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat in het onderhavige geval van groot belang is geweest dat eiser voorafgaande aan 12 februari 2001 feitelijk en juridisch anderhalf jaar werkzaam is geweest op grond van een arbeidsovereenkomst voor minimaal 100 uur per vier weken en dat het laatstelijk afgesloten contract voor minimaal acht uur per vier weken feitelijk niets aan de arbeidsomvang veranderde. Ook direct volgend op 12 februari 2001 is eiser immers werkzaam geweest voor ongeveer 100 uur per 4 weken. De rechtbank is van oordeel dat juist voor een dergelijk geval, waarbij de feitelijke situatie niet wijzigt doch de arbeidsovereenkomst wel, art. 7:610b BW bedoeld is. In dit geval mocht verweerder dan ook van eiser verlangen dat hij het rechtsvermoeden inriep bij zijn werkgever en dit vervolgens, indien noodzakelijk, zou trachten af te dwingen bij de kantonrechter. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de kans dat de loonvordering zal slagen, in tegenstelling tot hetgeen de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld, overwegend positief dient te worden ingeschat gelet op het aantal feitelijk gewerkte uren in de desbetreffende periode. Het niet instellen van een loonvordering is door verweerder terecht aangemerkt als een benadelingshandeling. De rechtbank acht hierbij van belang dat het -mogelijke- nadelige gevolg van een loonvordering tegen de werkgever, zoals ontslag, in casu niet dusdanig groot moet worden geacht dat verweerder niet van eiser zou kunnen verlangen dat hij een loonvordering instelt. Door het vernieuwde contract van 12 februari 2001 heeft eiser slechts recht op acht uur werk per vier weken, hetgeen reeds een aanmerkelijke verslechtering van zijn arbeidsrechtelijke positie meebracht. De rechtbank is van oordeel dat er onder deze omstandigheden voldoende aanleiding was voor verweerder om van eiser te verlangen dat hij het rechtsvermoeden van arbeidsomvang tegenover zijn werkgever in rechte zou inroepen en dat het nalaten hiervan is aan te merken als een schending van de verplichting, genoemd in de bijlage bij het Maatregelenbesluit Tica, onderdeel C Werkloosheidswet, vijfde categorie ten vierde. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er derhalve sprake is van een benadelingshandeling. De Raad van bestuur van het UWV, verweerder. mrs. J.J. Penning, J.N.A. Bootsma, M.E. Snijders

Rechters

Advocaten

  • R.G.H.M. de Glas

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.