ECLI:NL:RBARN:2002:AF1567
Rechtbank Arnhem · 25-11-2002 · zaaknummer AWB 01/940
Inhoudsindicatie
Beslissing op grond van overeenkomst in het kader van het ganzenopvangproject is geen besluit als bedoeld in art. 1:3.1 Awb. Bij brief van 1 december 1999 is eiser verzocht om aan het Jachtfonds een bedrag van fl. 9.585,-- terug te betalen, zijnde het teveel aan uitgekeerde tegemoetkomingen in door ganzen aangerichte schade over de jaren 1997, 1998 en 1999. Verweerder is met (onder meer) eiser in het kader van een ganzenopvangproject een overeenkomst aangegaan, hierin bestaande dat eiser in ruil voor het met rust laten van de ganzen op zijn percelen van verweerder vergoedingen zal ontvangen voor de door de ganzen aangerichte schade. De jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten bestaat uit een vast bedrag dat los staat van de daadwerkelijk door de ganzen aangerichte schade, en een schadecomponent. De brief van 1 december 1999 behelst een eindafrekening als bedoeld in art. 9 van de overeenkomst. De rechtbank constateert dat de overeenkomst niet zijn grondslag vindt in de Regeling vergoeding door wild aangerichte schade (hierna: de Regeling), en dat de overeenkomst de Regeling overigens ook niet op onaanvaardbare wijze doorkruist. Hetgeen in de overeenkomst is neergelegd vormt in feite het spiegelbeeld van datgene waar de Regeling op ziet. Immers, waar de Regeling vereist dat schade door wild zoveel mogelijk wordt voorkomen, dient eiser zich ingevolge de overeenkomst juist van schadebeperkende maatregelen te onthouden. Voorts stelt de rechtbank vast dat sprake is van een tweezijdige en wederkerige rechtsverhouding tussen verweerder en eiser. Dit komt vooral tot uiting in de omstandigheid dat de standaardovereenkomst in het geval van eiser is aangepast, omdat hij niet akkoord kon gaan met één van de in die overeenkomst opgenomen voorwaarden. Deze gang van zaken duidt zonder meer op het bestaan van contractsvrijheid. Het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat de in de brief van 1 december 1999 vervatte beslissing van verweerder, die rechtstreeks voortvloeit uit de (artikelen 4 en 9 van de) als een meerzijdige rechtshandeling te duiden overeenkomst, niet als een publiekrechtelijke, maar een privaatrechtelijke rechtshandeling moet worden aangemerkt. Gegrond beroep; met toepassing van art. 8:72.4 Awb het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Het bestuur van het Jachtfonds te Dordrecht, verweerder. mr. J.J. Penning
Rechters
Advocaten
- E.J.M. van den Bogaart
- H.W.M. van Welie
- M. Nagel
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
