ECLI:NL:RBARN:2001:AB2693
Rechtbank Arnhem · 30-05-2001 · zaaknummer WAO 00/2124 WAO 01/256
Inhoudsindicatie
Onnodig lange voorschotverstrekking op WAO-uitkering. Naar aanleiding van eiseresses verzoek tot verstrekking van een WAO-uitkering heeft verweerder d.d. 15 juni 2000 afwijzend gereageerd, aangezien hij van oordeel was dat eiseres per einde wachttijd (9 augustus 1999) voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO was. Vervolgens vordert verweerder een bedrag ad fl. 22.948,70 terug wegens ten onrechte betaalde voorschotten gedurende de periode 9 augustus 1999 tot en met 30 juni 2000. Rechtbank: De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op een niet toereikende medische grondslag berust. Ook overigens ziet de rechtbank in de onderhavige gang van zaken aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. Ten tijde van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 28 augustus 1999 waren de meest relevante gegevens omtrent de gezondheidstoestand van eiseres bij verweerder bekend, althans hadden deze redelijkerwijs bij hem bekend kunnen zijn. Verweerder had voorts met meer voortvarendheid de kennelijk gewenste schildklierfuncties bij eiseres kunnen (laten) onderzoeken, zodat een beslissing op het verzoek van eiseres om toekenning van een WAO-uitkering binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn had kunnen worden genomen. Voorts blijkt uit de stukken dat ten aanzien van eiseres aanvankelijk ervan is uitgegaan dat aan haar per einde wachttijd reeds een reguliere WAO-uitkering was toegekend en dat het op 26 april 2000 verrichte medisch onderzoek een zogeheten eerstejaars herbeoordeling betrof. Aldus moet worden geoordeeld dat aan eiseres onnodig lang een terugvorderbaar voorschot op haar uitkering is verstrekt, waarbij verweerder zich blijkbaar geen rekenschap heeft gegeven van de problemen waarmede eiseres zou kunnen worden geconfronteerd indien uiteindelijk bij einde wachttijd geen aanspraak op uitkering zou bestaan. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 15 juni 2000 tot weigering van de gevraagde uitkering bij einde wachttijd, niet steunt op een zorgvuldige kennisneming van de relevante feiten en af te wegen belangen, hetgeen in strijd met art. 3:2 Awb moet worden geacht. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, komt mitsdien ook deswege voor vernietiging in aanmerking. Hieruit volgt tevens dat aan het bestreden terugvorderingsbesluit van 5 januari 2001 de grondslag is komen te ontvallen, zodat ook dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Lisv, verweerder. mr. F.H. de Vries
Rechters
Advocaten
- C.A.J. Snijders
- D.E. de Hoop
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
