ECLI:NL:RBAMS:2026:7894
Rechtbank Amsterdam · 02-06-2026 · zaaknummer C/13/773954 / FA RK 25-6076
Inhoudsindicatie
Partneralimentatie vastgelegd in overeenkomst. De rechtbank ziet geen reden om, op grond van de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de partneralimentatie dan wel op grond van artikel 1:160 BW de alimentatieverplichting van de man geheel te beëindigen. Wettelijke indexering verplicht periode 2019 tot september 2022. Dat de man deze wettelijke verplichting (artikel 1:402a BW) niet zou kennen, doet daar niet aan af. Een ieder, en dus ook de man, wordt immers geacht de wet te kennen. Periode oktober 2022 tot juni 2024. In voldoende mate aannemelijk geworden dat de man in deze periode zijn alimentatieverplichting in natura heeft voldaan. Periode juni 2024 tot afloop overeenkomst (mei 2037). Volgens de rechtbank heeft de man in voldoende mate begrepen wat de ondertekening van de overeenkomst tot gevolg zou hebben. Bovendien zijn partijen, bij onderlinge vaststelling, niet gehouden aan de wettelijke termijn zoals volgt uit artikel 1:158 BW. Door de man niet aangetoond dat sprake is van artikel 1:401 lid 2 BW. Daarnaast kan de rechtbank niet vaststellen of sprake is van een wijziging zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. De man heeft € 1.374,- aan griffierecht betaald, zijnde het tarief voor dagvaardingsprocedures. De rechtbank zal dit griffierecht terugboeken tot een bedrag van € 331,-, zijnde het tarief voor onderhavige procedure.
Rechters
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
