ECLI:NL:RBAMS:2026:5178
Rechtbank Amsterdam · 27-05-2026 · zaaknummer 786091
Inhoudsindicatie
Voorshands is aannemelijk dat het altijd de bedoeling van partijen is geweest dat de putoptie zou worden uitgeoefend en voldoende aannemelijk is dat de putoptie ook daadwerkelijk is uitgeoefend, zodat de primaire vordering in beginsel toewijsbaar is. Deze vordering wordt echter niet toewijsbaar geacht, omdat niet aannemelijk is dat op korte termijn al de koopprijs van de aandelen kan worden vastgesteld. De subsidiaire vordering, die erop ziet dat de lening aan eiser(s) pas opeisbaar wordt nadat een onherroepelijk eindoordeel is verkregen in een bodemprocedure ten aanzien van de uitoefening van de putoptie, wordt daarom wel toegewezen. Artikel 1.4 van de leningsovereenkomst kan voorshands niet zo worden uitgelegd dat gedaagde de lening kan opeisen terwijl voldoende aannemelijk is dat de putoptie moet worden nageleefd. Dit geldt temeer waar het gedaagde is die de uitoefening van de putoptie in feite blokkeert door te ontkennen dat deze is uitgeoefend. De door eisers in hun dagvaarding opgenomen inzagevorderingen worden afgewezen, omdat zij onvoldoende onderbouwd hebben gesteld welk belang zij bij inzage in de gevraagde informatie hebben. De (na wijziging van eis) ter zitting ingestelde inzagevordering wordt toegestaan. Deze is niet in strijd met de eisen van een goede procesorde en kan bovendien worden toegewezen.
Rechters
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
