ECLI:NL:RBAMS:2026:3794
Rechtbank Amsterdam · 15-04-2026 · zaaknummer 13/028419-26
Inhoudsindicatie
Vervolgings-EAB uit Duitsland. Artikel 2 OLW: met de omschrijving in het EAB en het A-formulier is voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht. In het EAB is met betrekking tot het eerste feit geen afgebakende pleegperiode en een pleegplaats vermeld, maar het EAB bevat een voldoende nauwkeurige beschrijving van de gedraging zelf. De naleving van het specialiteitsbeginsel is hiermee naar het oordeel van de rechtbank gewaarborgd. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon heeft geen zodanige banden met Nederland dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf beter in Nederland kan plaatsvinden. De overlevering van de opgeëiste persoon wordt dus niet afhankelijk gemaakt van de gegeven terugkeergarantie. Artikel 13 OLW: de omstandigheid dat het tweede feit geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, geeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen, omdat het zwaartepunt van het feit in Duitsland ligt, het onderzoek is aangevangen in Duitsland, het bewijs zich in Duitsland bevindt en de medeverdachte ook in Duitsland wordt vervolgd. Overlevering toegestaan.
Advocaten
Officier van justitie
- A.L. Wagenaar
officier van justitie
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
