ECLI:NL:RBAMS:2025:6979
Rechtbank Amsterdam · 10-09-2025 · zaaknummer AMS 23/6949
Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft verweerder op 21 april 2023 opgedragen een nieuwe beslissing op de bezwaren te nemen. De nieuwe beslissing ligt nu voor ter beoordeling. Het college heeft de aanvraag voor ontheffing en de aanvraag voor verlening van een vergunning voor het aanbieden van alternatief personenvervoer met negen paardenkoetsen geweigerd. De rechtbank heeft verweerder op 21 april 2023 opgedragen een nieuwe beslissing op de bezwaren te nemen. De nieuwe beslissing ligt nu voor ter beoordeling. Het college heeft de aanvraag voor ontheffing en de aanvraag voor verlening van een vergunning voor het aanbieden van alternatief personenvervoer met negen paardenkoetsen geweigerd. Het college legt hieraan ten grondslag dat artikel 2:51 van de APV, zoals het artikel sinds 1 april 2020 geldt, zich tegen een vergunningverlening voor alternatief personenvervoer verzet. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in de uitspraken van 25 augustus 2021 en 17 november 2021 de invoering van het nieuwe artikel 2:51 van de APV heeft beoordeeld. In deze zaken was de Dienstenrichtlijn niet van toepassing op de dienst en is het verbod daarom niet getoetst aan de vereisten die voortvloeien uit de Dienstenrichtlijn. Gelet op de hierboven genoemde uitspraak van 21 april 2023 van deze rechtbank is de Dienstenrichtlijn wel van toepassing op de dienst van eiser. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat de doelstelling van het verbod strekt tot bescherming van het stedelijk milieu en dat het verbod als zodanig gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid). De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het verbod effectief is om het beoogde doel te bereiken (geschiktheid). Daarbij wijst de rechtbank erop dat een maatregel volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie al slaagt voor de evenredigheidstoets indien hij kan bijdragen aan de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling en dat deze niet noodzakelijkerwijs zelfstandig deze doelstelling hoeft te kunnen verwezenlijken. Gelet op de doelstellingen van het verbod - de druk op de openbare ruimte verminderen en overlast die gepaard gaat met het aanbieden van dit type vervoer verminderen om daarmee de leefbaarheid van de stad te vergroten – is de rechtbank van oordeel dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verbod tot het aanbieden van het vervoer niet verder gaat dan nodig is om het nagestreefde doel te bereiken (niet verder dan nodig). De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het verbod in het geval van eiser onevenredig is (evenredig in het concrete geval). Er is geen sprake van schending van het eigendomsrecht of recht op onderneming. Ten aanzien van de aangevraagde ontheffing is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling van de gronden gericht tegen de weigering van de ontheffing, omdat hij de paarden heeft verkocht en hij niet voornemens is de dienst te hervatten. Het beroep is ongegrond.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
