ECLI:NL:RBAMS:2025:4901
Rechtbank Amsterdam · 10-07-2025 · zaaknummer 24/6686
Inhoudsindicatie
WOZ. factor proceskostenvergoeding in bezwaar. Uit artikel 30a, eerste lid wet WOZ volgt dat de proceskosten in bezwaar, voor zover deze betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van bezwaar, moeten worden vermenigvuldigd met 0,125. Dit is de wettelijk vastgelegde factor die sinds 1 januari 2025 geldt. Voor deze bepaling is er geen sprake van overgangsrecht. Dit betekent dat deze factor per 1 januari 2025 van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aldus terecht deze factor toegepast. Immers, de schikking heeft plaatsgevonden in 2025 en de heffingsambtenaar (en voor zover relevant de rechtbank) heeft zich aan het dan geldende recht te houden. Anders dan eiser heeft gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van bijzondere omstandigheden om af te wijken. Het enkele feit dat de zaak ook in 2024 had kunnen zijn afgedaan, is geen omstandigheid om van de wettelijk vastgelegde factor af te wijken. Van sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is de rechtbank evenmin gebleken.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
