ECLI:NL:RBAMS:2021:2519
Rechtbank Amsterdam · 18-05-2021 · zaaknummer C/13/699052 FT RK 21.248
Inhoudsindicatie
ABP verkeert in de veronderstelling dat aan haar het recht toekomt haar vorderingen alsnog te verrekenen met te betalen pensioengelden in die gevallen waarin haar schuldenaar de schone lei voor deze schulden heeft ontvangen. Zij grondt dit standpunt niet op enig specifiek wetsartikel dat aan ABP deze bevoegdheid zou verlenen, maar op algemene beginselen van verbintenissenrecht. ABP stelt dat de schulden van iemand die daarvoor de schone lei heeft ontvangen niet meer opeisbaar zijn en dat deze nog slechts als natuurlijke verbintenis voortbestaan. ABP meent dat de aard van een dergelijke verbintenis meebrengt dat aan schuldeisers nog wel een verrekeningsbevoegdheid zou toekomen. ABP miskent hiermee, dat verrekenen een vorm van opeisen is, en dat zij, door zo te handelen, niet-opeisbare vorderingen feitelijk toch opeist. Niet alleen begrijpt ABP hiermee het karakter van de natuurlijke verbintenis verkeerd, zij doorbreekt bovendien op kwalijke wijze hetgeen de wetgever met de schone lei heeft beoogd.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
