ECLI:NL:RBAMS:2020:1388
Rechtbank Amsterdam · 04-03-2020 · zaaknummer NCC 19/012 (C/13/667529)
Inhoudsindicatie
This case is about the scope of the release and full discharge provision in a Settlement Agreement governed by English law between claimant (Subsea Survey Solutions, a Russia-based company) and defendant (South Stream, based in Amsterdam). Subsea initiated proceedings before the NCC District Court, claiming payment by South Stream of an amount in excess of EUR 22 million pertaining to alleged non-contractual damages under Russian law. In today’s judgment, the NCC District Court finds that Subsea - by agreeing to the release and full discharge in the Settlement Agreement - is barred from bringing this claim. Applying English law, the court rules that a reasonable person having all the background knowledge which would have been available to the parties, would have clearly understood that the parties’ intention was to release South Stream from any and all claims under any law, including non-contractual claims under Russian law. Therefore, the court dismisses Subsea’s claims. In the same judgment the court awards South Stream’s counterclaim to have its full legal defence costs reimbursed, which currently are at least EUR 400,000. The court awards these costs on the basis of Clause 11 of the Settlement Agreement. Subsea’s defence that the costs claimed by South Stream are unreasonable was raised in vain. The court applies Article 242 DCCP. According to paragraph 2 of this Article, the court cannot mitigate costs agreed by parties concerning “a dispute that has arisen” and which was “settled” by the parties. That is the case here. Summary in Dutch: In deze zaak gaat het om de reikwijdte van een finale kwijting die is opgenomen in een vaststellingsovereenkomst (Settlement Agreement) die is gesloten tussen Subsea Survey Solutions (gevestigd in Rusland) en South Stream (gevestigd in Amsterdam). Subsea heeft in deze procedure een vordering ingesteld tot betaling van een bedrag van ruim 22 miljoen euro aan schadevergoeding wegens schending van niet-contractuele verbintenissen naar Russisch recht. In het vonnis van vandaag oordeelt de NCC District Court (de meervoudige kamer van de Netherlands Commercial Court, hierna: NCC) dat de vordering van Subsea binnen de reikwijdte van de kwijtingsclausule (artikel 7) van de vaststellingsovereenkomst valt. Op de (uitleg van de) overeenkomst is Engels recht van toepassing. Voor een redelijk persoon met dezelfde achtergrondkennis als partijen zou het duidelijk zijn dat het de bedoeling van partijen was om South Stream finale kwijting te verlenen voor alle vorderingen naar welk recht dan ook, en dus ook voor vorderingen wegens schending van niet-contractuele verbintenissen naar Russisch recht. De vordering van Subsea wordt dan ook afgewezen. De NCC wijst de tegenvordering van South Stream tot vergoeding van alle door haar daadwerkelijk gemaakte proceskosten (ruim EUR 400.000) toe. Het verweer van Subsea, dat de gemaakte kosten niet redelijk zijn, slaagt niet. De redelijkheid van overeengekomen proceskosten wordt beheerst door artikel 242 Rv. In lid 2 van artikel 242 Rv is bepaald dat de redelijkheidstoets niet geldt voor proceskostenregelingen die door partijen zijn getroffen in overeenkomsten die strekken tot regeling van een reeds gerezen geschil. Daarvan is in dit geval sprake (artikel 11 van de vaststellingsovereenkomst).
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
