ECLI:NL:RBAMS:2014:5745
Rechtbank Amsterdam · 05-03-2014 · zaaknummer 27.2014
Inhoudsindicatie
De grondslag van het verzoek betreft de door de rechter ter zitting gemaakte opmerkingen, de ‘lacherige’ houding van de rechter en het feit dat de rechter hoe dan ook een eindbeschikking wilde wijzen. Een opmerking van de rechter kan, zoals de rechter ook heeft gesteld, prikkelend worden ervaren. Met de rechter kan echter worden aangenomen dat het soms nodig kan zijn om prikkelende vragen te stellen met als doel partijen ertoe te bewegen zich uit te spreken of zich op hun positie te beraden. Wellicht wordt een opmerking mogelijk als in het nadeel van verzoekster ervaren, maar daaruit kan geen (schijn van) vooringenomenheid worden afgeleid. Dat de houding van de rechter ‘lacherig’ was is door de rechter uitdrukkelijk ontkend en hiervan kan niet zonder meer worden uitgegaan. De wens van de rechter om de zaak niet nog eens aan te houden maar nu tot een eindbeschikking te komen, kan gezien de lange duur van de procedure niet als een beslissing worden aangemerkt die zozeer onbegrijpelijk is dat daaruit een schijn van vooringenomenheid kan worden afgeleid. Verzoek afgewezen.
Rechters
Advocaten
- D. van den Brink
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
