Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBAMS:2014:3872

Rechtbank Amsterdam · 01-07-2014 · zaaknummer AMS 13-4628

BestuursrechtGepubliceerd 01-07-2014
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Eiseres heeft op grond van de Wob om openbaarmaking van in totaal vierentwintig documenten verzocht die betrekking hebben op een vermeende snelheidsovertreding. Tegen de beslissing op dat verzoek van 5 oktober 2012, waarbij is beslist dat een deel van het verzoek wordt doorgezonden naar de politie, heeft eiseres bezwaar gemaakt. Omdat een beslissing op het bezwaar vervolgens uitbleef heeft eiseres beroep bij de rechtbank ingesteld. Hangende het beroep heeft verweerder alsnog de beslissing op bezwaar genomen. Ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van één bestuurlijke aangelegenheid waarop de verschillende documenten zien, zodat sprake is van één Wob-verzoek en niet van vierentwintig Wob-verzoeken. De op de laatste dag van de beslistermijn per fax ingediende ingebrekestelling is prematuur, maar de per post verzonden ingebrekestelling is na het eindigen van die termijn ontvangen en derhalve wel geldig. Het beroep niet tijdig is dan ook ontvankelijk en gegrond. Vanwege proceseconomische redenen heeft de rechtbank ook geoordeeld over het beroep tegen het uitblijven van een dwangsombeschikking. De rechtbank is onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1290) tot de conclusie gekomen dat eiser dat beroep heeft kunnen instellen, maar dat verweerder in dat verband geen dwangsom is verschuldigd. Het nemen van een dwangsombeschikking betreft een ambtshalve te nemen beschikking. Dat eiseres een verzoek tot het vaststellen van de dwangsombeschikking heeft gedaan, verandert niet het ambtshalve karakter van de op grond van artikel 4:18 van de Awb te nemen beschikking. Nu verweerder geen dwangsombeschikking heeft genomen ten aanzien van het niet tijdig beslissen op het bezwaar, heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door vast te stellen dat verweerder de maximale dwangsom van € 1.260 is verschuldigd en de door eiseres verzochte wettelijke rente moet vergoeden. Wat betreft het beroep tegen de alsnog genomen beslissing op bezwaar heeft de rechtbank geoordeeld dat het primaire besluit op 5 oktober 2012 is voltooid en bekend is gemaakt. Dat de feitelijke doorzending naar de politie pas op 9 oktober 2012 plaatsvond is niet relevant voor het bekendmaken van het primaire besluit. Tot slot heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de door eiseres verlangde tekst “in naam des Konings” in de uitspraak op te nemen.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • de minister van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de minister van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.