ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ5716
Rechtbank Amsterdam · 01-03-2013 · zaaknummer AWB 09/2266 BELEI
Inhoudsindicatie
Besluit waarbij de schademanager van het Schadebureau Noord-Zuidlijn namens verweerder op basis van het schriftelijk advies van de Schadecommissie Noord-Zuidlijn (de Schadecommissie) een schadevergoeding van € 9.974,75 heeft toegekend bestaande uit € 7.000,00 aan verhuiskostenvergoeding vermeerderd met de wettelijke rente en rekening houdend met de uitgekeerde voorschotten en € 2.526,24 voor vergoeding van de kosten van de deskundige. (…) Eisers hebben onder meer aangevoerd dat de Rb. bij de beoordeling van het bestreden besluit niet zou mogen afgaan op het deskundigenbericht van de StAB en het nader verslag van de StAB. (…) De Rb. stelt voorop dat de (ambtshalve) benoeming door de Rb. van een deskundige, gelet op art. 8:47 Awb, een discretionaire bevoegdheid van de Rb. is. Gelet op de Mvt zal de belasting die een deskundigenonderzoek met zich mee kan brengen, mede gelet op het daarmede gemoeide tijdsverloop, in redelijke verhouding moeten staan tot de daarvan te verwachten resultaten. Is dat niet het geval dan zal het onderzoek achterwege moeten worden gelaten dan wel op een minder belastende wijze moeten worden verricht (MvT, Parl. Gesch. Awb II, p. 418). (…) Gelet op de uiteenlopende visies van de door partijen geraadpleegde deskundigen ten aanzien van (de hoogte van) de geleden schade en de omstandigheid dat partijen ter zitting geen overeenstemming op de door hen betrokken standpunten hebben kunnen bereiken, is de Rb. van oordeel dat zij – ondanks de lange duur van de beroepszaak - in dit geval in redelijkheid van de bevoegdheid op grond van art. 8:47 Awb gebruik heeft kunnen maken. (…) De Rb. overweegt dat de StAB is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van nadeelcompensatie waarvan de taak en onafhankelijke positie in de artikelen 8.5. t/m 8.8. van de Wro is neergelegd. Zoals ook ter zitting door de StAB is toegelicht is een algemene vraagstelling, waarbij – onder verwijzing naar de tegenstrijdige rapportages van beide partijen – het geschil in volle omvang aan de StAB ter advisering wordt voorgelegd, niet ongebruikelijk. De Rb. is van oordeel dat een dergelijke algemene vraagstelling, in de gerezen situatie adequaat was. (…) De Rb. is dan ook van oordeel dat zij in beginsel op het uitgebrachte deskundigenbericht van de StAB mag afgaan. Dat is slechts anders indien het deskundigenbericht onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Eisers voeren daartoe aan dat aan hen de conceptrapportage had moeten worden voorgelegd, voordat de bevindingen van de StAB in het definitieve rapport van 28 maart 2012 naar de Rb. waren gezonden. De Rb. overweegt dat eisers overeenkomstig art. 8:47, lid 5 Awb in de gelegenheid zijn gesteld naar aanleiding van het verslag van de StAB schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot het verslag naar voren te brengen. Ook het nader verslag van de StAB is overeenkomstig art. 15 van de Procesregeling bestuursrecht 2010 ter reactie voorgelegd aan partijen. De Rb. overweegt dat dit artikel de procedure rond deskundigenonderzoek regelt naar de maatstaven die voortvloeien uit het Mantovanelli-arrest (EHRM 18 maart 1997, LJN: AD4449). Uit dit arrest volgt dat elke partij in beginsel in de gelegenheid moet worden gesteld om niet alleen zelf bewijs te leveren, maar ook om kennis te nemen van, en commentaar te leveren op het bewijs (§ 33). Deze eis is gerelateerd aan de gerechtelijke procedure zelf; hieruit mag niet in haar algemeenheid worden geconcludeerd dat indien een deskundige door een gerecht wordt benoemd, de partijen in alle instanties moet worden toegestaan de ondervragingen door de deskundige bij te wonen en de documenten waarop hij zich baseert in te zien. Essentieel is dat partijen adequaat kunnen participeren in de procedure voor het gerecht (§ 33). De Rb. is van oordeel dat de hiervoor beschreven gang van zaken in deze procedure aan deze eisen voldoet. De Rb. betrekt daarin mede dat eisers ter zitting vragen en bedenkingen aan de medewerkers van de StAB hebben kunnen voorleggen. De Rb. is dan ook van oordeel dat eisers in staat zijn geweest om effectief hun inbreng te leveren in het kader van het onderzoek door de StAB en dat zij op de resultaten van het onderzoek adequaat tegenspraak hebben kunnen leveren nadat het deskundigenbericht aan de Rb. was gezonden. De Rb. vindt voor die opvatting steun in de uitspraken van de ABRS van 9 mei 2007 (LJN: BA4711) en van 6 mei 2009 (LJN: BI2965). (…) De Rb. ziet geen aanleiding om het deskundigenbericht van de StAB niet bij de beoordeling te betrekken. Overigens is de Rb. bij de beoordeling van het bestreden besluit niet gebonden aan hetgeen in het deskundigenbericht is vermeld.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
