ECLI:NL:RBAMS:2013:8999
Rechtbank Amsterdam · 11-09-2013 · zaaknummer HA RK 13.255
Inhoudsindicatie
Verzoek toegewezen. Een meervoudige kamer in een andere samenstelling heeft op de zitting van 3 april 2013 besloten dat de raadsvrouw voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom zij deze twee getuigen wil horen en dat het van belang is, mede in het licht van het door haar aangekondigde verweer. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het van belang is, juist in het kader van dat verweer, deze getuigen ter zitting te horen. De getuigen zijn vervolgens opgeroepen voor de zitting van 9 augustus 2013. Een van de getuigen bleek zich echter onveilig te voelen als zijn in het bijzijn van verzoeker zou worden gehoord. Daarom heeft de officier van justitie bij e-mail van 29 juli 2013 aan de rechters verzocht of het mogelijk was om deze getuige alsnog door de rechter-commissaris te doen horen. Deze e-mail is niet in kopie aan de raadsvrouw gestuurd. De oudste rechter heeft bij e-mail van gelijke datum aan de officier van justitie laten weten dat er geen bijzondere reden is waarom de getuige op de zitting zou moeten worden gehoord. Onder deze omstandigheden moet aan een verhoor door de rechter-commissaris de voorkeur worden gegeven. Deze e-mail is niet in kopie aan de raadsvrouw gestuurd. Vervolgens heeft de officier van justitie getracht om voorafgaand aan de zitting van 9 augustus 2013 een verhoor bij de rechter-commissaris te plannen. Dat is niet gelukt. Naar aanleiding daarvan heeft de oudste rechter bij e-mail van 1 augustus 2013 aan de officier van justitie meegedeeld dat hij de zaak met de jongste rechter had besproken, nu de voorzitter tot kort voor de zitting wegens vakantie afwezig was. De oudste rechter heeft voorts meegedeeld dat besloten was de getuigen niet op 9 augustus 2013 te horen, maar dat op die zitting besproken kon worden of vastgehouden zou worden aan de beslissing beide getuigen ter zitting te horen dan wel of dit geheel of ten dele aan de rechter-commissaris zou worden overgelaten. De voornaamste grond tot wraking is dat de rechters zonder nadere motivering zijn teruggekomen op de eerdere beslissing, in welke beslissing nadrukkelijk was besloten welk belang is gediend met het ter zitting horen van beide getuigen. Verzoeker noch zijn raadsvrouw zijn hierover gehoord. Deze beslissing is daarom onbegrijpelijk. Het belang van de getuige wordt daarmee boven het belang van verzoeker gesteld. De rechtbank stelt voorop dat artikel 12 RO, contacten zoals die hier hebben plaatsgevonden tussen de oudste rechter en de officier van justitie, niet verbiedt. De rechters hebben echter een nieuwe beslissing genomen, die niet is gemotiveerd en waarover de raadsvrouw voorafgaand ook niet is geraadpleegd. Daarbij speelt een rol, dat in afwijking van de gebruikelijke gang van zaken, namelijk een verhoor bij de rechter-commissaris, eerder uitdrukkelijk was besloten tot een verhoor ter zitting. Het verzoek is ook jegens de voorzitter toewijsbaar, omdat zij de regie heeft en het een gezamenlijke beslissing betreft.
Rechters
Advocaten
- B.G.M.C. Peters
- J.A.A.G. de Vries
- R. Hirzalla
- W.F. Korthals Altes
Officier van justitie
- K.M. Römer
officier van justitie
Partijen
[verzoeker]
verzoeker · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
