ECLI:NL:RBAMS:2013:2501
Rechtbank Amsterdam · 03-05-2013 · zaaknummer AWB 12-613 WRB
Inhoudsindicatie
In de tussenuitspraak van deze rechtbank is ten aanzien van het beroep van eiser geoordeeld dat onvoldoende is gebleken op welke manier de aanvrager van een toevoeging, in het geval van opvolging van advocaten, aannemelijk kan maken dat sprake is van een vertrouwensbreuk dan wel een (zeer ernstige mate van) schending van vertrouwen. Het beleid op dit punt heeft de rechtbank als onredelijk geoordeeld. In haar einduitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet nader heeft gemotiveerd of de door eiser gestelde omstandigheden, los van het criterium “van het aannemelijk maken van zeer ernstige mate van schending van vertrouwen” reden zijn voor het verlenen van een toevoeging voor opvolging. Nu verweerder hiermee niet heeft voldaan aan het verzoek van de rechtbank voornoemd gebrek te herstellen en niet is ingegaan op de vraag of de door eiser gestelde omstandigheden op andere gronden reden zijn voor het verstrekken van een toevoeging, zal de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaren.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
