ECLI:NL:RBAMS:2012:BY9797
Rechtbank Amsterdam · 20-12-2012 · zaaknummer AWB 12/613 WRB
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag van eiser om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). Naar aanleiding van de beroepsgronden van eiser 1 ligt het beleid van verweerder "V050 A.A.-procedure" (hierna: V050) ter toetsing van de rb.voor, dat voor zover hier van belang, het volgende inhoudt. "Het uitgangspunt is dat de asielzoeker gedurende de gehele asielprocedure (A.A. en V.A.) bijgestaan wordt door dezelfde rechtsbijstandverlener. Alleen in uitzonderingssituaties zal een goed gemotiveerd verzoek tot overname kunnen worden toegestaan. Als de overnemende advocaat kantoor houdt in een ander ressort, moet hij onder overlegging van de originele toevoeging overname verzoeken bij de (vestiging van de) Raad in zijn ressort." Verweerder heeft het beleid nader ingevuld. In geschil is of sprake is van een gestelde ‘vertrouwensbreuk’ dan wel van een ‘zeer ernstige mate schending van vertrouwen’. In het bestreden besluit heeft verweerder de conclusie, dat een ernstige vertrouwensbreuk niet aannemelijk is gemaakt, gebaseerd op het feit dat [eiser 1] geen klacht heeft ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten en zich evenmin heeft gewend tot de intervisiecommissie (CIT). Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder echter erkend dat ook sprake kan zijn van een vertrouwensbreuk zonder dat er aanleiding bestaat om een klacht in te dienen of contact op te nemen met de commissie en dat een vertrouwensbreuk dus ook op andere wijze aannemelijk kan worden gemaakt. Uit de stukken in het dossier en hetgeen ter zitting door de gemachtigde van verweerder naar voren is gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken op welke manier de aanvrager van een toevoeging in het algemeen aannemelijk kan maken dat sprake is van een vertrouwensbreuk dan wel een (zeer ernstige mate van) schending van vertrouwen. Een vertrouwensbreuk is per definitie een subjectieve beleving van de relatie tussen cliënt en advocaat. Noch in het bestreden besluit, noch ter zitting kon verweerder daarbij aangeven welke objectieve omstandigheden aangetoond dienen te worden om een gestelde vertrouwensbreuk aannemelijk te maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beleid van verweerder, voor zover daarin de eis wordt gesteld om aannemelijk te maken dat sprake is van een zeer ernstige mate van schending van vertrouwen, onredelijk is. Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek om opvolging dan ook niet mogen baseren op het eerste punt van de ‘mogelijke redenen tot opvolging’ of het eerste punt van ‘geen reden tot opvolging’ zoals genoemd in het beleid. De rechtbank overweegt verder dat de in het beleid genoemde ‘mogelijke redenen tot opvolging’ geen limitatieve opsomming bevat. Dit betekent dat het beleid dus ook ruimte laat om onder meer vanwege een vertrouwensbreuk een verzoek tot opvolging te honoreren en dat een afwijzing van een dergelijk verzoek deugdelijk moet worden gemotiveerd. Toepassing bestuurlijke lus.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
