Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0767

Rechtbank Amsterdam · 31-07-2012 · zaaknummer AWB 12/133 GEMWT

BestuursrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Bevel aan eiser op grond van art. 2.9A van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: de APV) zich uit het dealeroverlastgebied DOG 1.1 te verwijderen en zich gedurende drie maanden, van 2 juli 2011 tot en met 1 oktober 2011 niet in het gebied op te houden. Aanleiding voor het opgelegde gebiedsverbod is de overtreding van art. 2.7, lid 2 van de APV. Eiser heeft aangevoerd dat de artikelen 2.7 en 2.9A van de APV onverbindend zijn, omdat de Opiumwet het voorhanden hebben en verkopen van (hard)drugs reeds verbiedt. Eiser heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de ABRS van 13 juli 2011 (LJN: BR1425). De ABRS heeft in deze uitspraak overwogen dat voor gemeentelijke verbods- en strafbepalingen die voorschriften uit de Opiumwet dupliceren, ongeacht het motief dat daaraan ten grondslag ligt, geen ruimte bestaat. Daargelaten het antwoord op de vraag of art. 2.9A van de APV als een op zichzelf staande bepaling moet worden beschouwd, danwel in samenhang moet worden gelezen met art. 2.7, lid 2 van de APV, is de Rb. van oordeel dat art. 2.7, lid 2 van de APV niet hetzelfde gedrag verbiedt als art. 2 van de Opiumwet. De artt. 2.9A en 2.7, lid 2 van de APV verbieden enkel het zich op of aan de weg ophouden als aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artt. 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden. De Rb. acht van belang dat dus niet het daadwerkelijke kopen of verkopen is verboden, maar uitsluitend de aanwezigheid op of aan de weg als de betrokkene het voornemen heeft om de in art. 2.7, lid 2 genoemde handelingen te verrichten. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de overlast van en rondom straathandel in harddrugs en/of daarop gelijkende middelen in bepaalde gebieden van Amsterdam onaanvaardbaar hoog is. Dit draagt significant bij aan gevoelens van onveiligheid bij bewoners en ondernemers. Voor een belangrijk deel zijn de dealers die zich in die gebieden ophouden verantwoordelijk voor veel overlast. Het dealen gaat gepaard met intimidatie en geweld naar passanten, gebruikers en andere dealers. Er is een sterke verwevenheid tussen dealen, handel in nepdope, hosselen en straatroven. De straathandel drukt een negatief stempel op het imago van de stad. De aanhoudende problematiek van straathandel is ernstig en structureel van aard. Met het opleggen van verblijfsverboden aan dealers in het dealeroverlastgebied wordt in de eerste plaats beoogd een einde te maken aan de ernstige verstoring van de openbare orde die met het dealen zelf gepaard gaat. Door dealers voor langere tijd uit een dealeroverlastgebied te weren worden deze gebieden minder aantrekkelijk voor gebruikers, zodat ook de daaraan gerelateerde overlast afneemt. Tevens wordt op deze manier beoogd de loop uit het gebied te halen. Het verbod geldt dus voor de overlast veroorzakende handelingen en gedragingen die samengaan met het dealen. Gelet op het hiervoor overwogene valt naar het oordeel van de Rb. noch uit de letterlijke tekst van de artt. 2.7, lid 2 en 2.9A, van de APV, noch uit het doel dat met deze artikelen wordt beoogd, af te leiden dat de betreffende artikelen zich begeven op het gebied dat door art. 2 van de Opiumwet wordt bestreken. Dit geldt eens te meer voor het te koop aanbieden van nepdrugs, welke handeling niet verboden is in de Opiumwet. De Rb. ziet hierin een verschil met het zogenaamde blowverbod dat aan de orde was in de uitspraak van de ABRS van 13 juli 2007 en is van oordeel dat de artt. 2.7, lid 2 en 2.9A van de APV niet als onverbindend kunnen worden aangemerkt. De Rb. overweegt voorts dat de artikelen in de APV niet hetzelfde gedrag verbieden als de Vw. Het gedrag van eiser dat aanleiding is geweest voor oplegging van het gebiedsverbod – het zich op of aan de weg ophouden als aannemelijk is dat dit gebeurt om handelingen te verrichten als bedoeld in art. 2.7, lid 2 van de APV – wordt immers niet verboden in de Vw. De ongewenstverklaring is opgelegd omdat eiser bij herhaling een bij de Vw strafbaar gesteld feit heeft begaan. De ongewenstverklaring op grond van de Vw bevat weliswaar – net als het gebiedsverbod in de APV – een openbare orde toets, maar ziet niet op de openbare ordeverstoring waarop de APV ziet. In het tweede geval wordt de (lokale) openbare orde verstoord door de hierboven omschreven handelingen. In het eerste geval wordt de (nationale) openbare orde en veiligheid verstoord door de enkele aanwezigheid van eiser hier te lande. De bevoegdheid van de burgemeester op grond van de APV met betrekking tot de openbare orde in het geval van het hier aan de orde zijnde gedrag wordt dan ook niet beïnvloed door de bevoegdheid van de Staatssecretaris van Justitie op grond van de Vw. Eiser heeft aangevoerd dat de omschrijving in de APV van “op harddrugs gelijkende waar” te vaag is. De Rb. verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 november 1992 (LJN: AD1779), waarin is geoordeeld dat de bepaling (destijds art. 83 van de APV) ook voor zover zij melding maakt van ‘daarop gelijkende waar’, waarmee kennelijk is bedoeld waar die voor enig verdovend middel kan doorgaan, voldoende duidelijk maakt welke gedraging daarbij is verboden en strafbaar gesteld. Ongegrond beroep.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.