Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX2094

Rechtbank Amsterdam · 04-07-2012 · zaaknummer AWB 11/5395 WET

BestuursrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de subsidie op grond van de Regeling Leerplusarrangement te verlagen voor de budgetperiode 2011-2012. In strijd met artikel 5, derde lid, van de (ten tijde van het bestreden besluit geldende) Regeling Leerplusarrangement is de gewijzigde Regeling pas in mei 2011 in plaats van in december 2010 gepubliceerd in de Staatscourant. Dit betekent dat de nieuwe tweejaarlijkse budgetperiode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 reeds was aangevangen. Vast staat dat eiseres sinds 2007 recht heeft op de aanvullende personele bekostiging op grond van de Regeling Leerplusarrangement. Met eiseres is de rb. van oordeel dat de tweejaarlijkse vaststelling van de subsidie alleen nog ziet op de hoogte van het subsidiebedrag. Gelet hierop is de rb. van oordeel dat sprake is van een tussentijdse wijziging van de subsidie in de zin van art. 4:50, eerste lid, van de Awb. Mede in het licht van de jurisprudentie is de rb. met verweerder van oordeel dat in de noodzaak tot bezuinigingen een voldoende zwaarwegend belang ligt, waardoor verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit inhoudende de verlaging van de onderhavige subsidie. De rb. is echter met eiseres van oordeel dat door de late publicatie in de Staatscourant en de definitieve bekendmaking van de bedragen bij besluit van 20 mei 2011, tegenover eiseres een inbreuk is gemaakt op het algemeen rechtsbeginsel van rechtszekerheid. In dit verband acht de rb. van essentieel belang dat verweerder, ondanks de kabinetswisseling en het later bekend worden van de budgetten, aan eiseres geen vooraankondiging heeft gedaan van eventuele bezuinigingsmaatregelen. De rb. overweegt voorts, dat in het algemeen beëindiging of verlaging van een subsidie met de nodige zorgvuldigheid en bovendien met inachtneming van een redelijke termijn dient te geschieden. Wat in een concreet geval een redelijke termijn moet worden geacht hangt af van de aard van de subsidie en de omstandigheden van het geval. Aan eiseres wordt een periode van ongeveer 7 maanden gegeven om zich in te stellen op de situatie van een lager toegekende subsidie. De overgangsperiode van 7 maanden biedt eiseres naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende tijd om te kunnen anticiperen op een aanstaande verlaging van de aanvullende personele bekostiging in de periode 2011-2012. In dit verband acht de rb. van belang dat verweerder de subsidieverlaging niet heeft aangekondigd dan wel eiseres heeft geïnformeerd over de eventuele verlaging van de subsidie als gevolg van de aangekondigde bezuinigingen. De rb. acht in dit verband tevens van belang dat de onderhavige subsidie ziet op de personele bekostiging van eiseres. Verweerder wist of had moeten weten dat scholengemeenschappen, zoals eiseres, de tijdelijke dienstverbanden per schooljaar verlengen en dat aan het opzeggen van arbeidsovereenkomsten termijnen zijn verbonden. De rb. is met eiseres van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden onmogelijk was om de begroting nog bij te stellen. Het had op de weg van verweerder gelegen om hiermee rekening te houden bij de vaststelling van de definitieve subsidiebedragen. Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat verweerder geen redelijke termijn in acht heeft genomen door de verlaging van het bedrag per leerling vanaf 1 januari 2012 door te voeren. Zoals ter zitting is besproken worden strenge eisen gesteld aan een tussentijdse beëindiging van (tijdelijke) dienstverbanden. De rb. overweegt dan ook als volgt. Art. 7:667, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) ziet onder meer op de schadeplichtigheid van partijen bij een ontbinding van een arbeidsovereenkomst. Op grond van dit artikel kan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd slechts tussentijds worden opgezegd indien dat recht voor beide partijen schriftelijk is overeengekomen. Indien een beding als bedoeld in art. 7:667, derde lid, van het BW ontbreekt, is de opzegging op zichzelf geldig, maar is de opzeggende partij wel schadeplichtig in de zin van art. 7:677, eerste lid, van het BW. De opzeggende partij zal in dat geval verplicht kunnen worden om schadevergoeding te betalen. Aannemelijk is dat de schadevergoeding de omvang van de loonderving zal bedragen. Gelet hierop is de rb. van oordeel dat eiseres de subsidieverlaging vanaf 2012 niet zonder meer had kunnen opvangen door de tijdelijke dienstverbanden te beëindigen. Nu de rb. van oordeel is dat verweerder de door eiseres geleden schade ingevolge art. 4:50, tweede lid, van de Awb dient te vergoeden, is verweerder gehouden om de door eiseres geleden schade inclusief de wettelijke rente te vergoeden. Gelet op het nog nader vast te stellen aantal leerlingen, dienen partijen hierover nader overleg met elkaar te voeren. Daarom kan de rb. in deze zaak geen finale geschillenbeslechting plegen.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.