Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW5477

Rechtbank Amsterdam · 10-04-2012 · zaaknummer AWB 11/4677 ZVW

BestuursrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Besluit waarbij verweerder de voorlopige jaarafrekening op grond van de Zvw voor het jaar 2008 heeft vastgesteld. De Rb. ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een uitspraak over de vaststelling van de voorlopige jaarafrekening over het zorgjaar 2008. Vast staat immers dat verweerder inmiddels de definitieve jaarafrekening 2008 voor eiser heeft vastgesteld. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is slechts sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het feit dat eiser beroep kan instellen tegen de voorlopige jaarafrekening brengt mee dat de Rb. (ook ambtshalve) dient te beoordelen of eiser bij dat beroep voldoende procesbelang heeft. Daarbij wijst de Rb. erop dat het enkele feit dat onder het bestreden besluit een beroepsclausule is vermeld, niet betekent dat eiser een procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen de voorlopige jaarafrekening. De Rb. stelt voorop dat de wetgever op de gebruikelijke wijze bezwaar en beroep heeft opengesteld tegen zowel de voorlopige als de definitieve vaststelling van de jaarafrekening. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat de inhoudelijke gronden tegen de voorlopige vaststelling ook in de procedure tegen de definitieve vaststelling van de jaarafrekening kunnen worden aangevoerd. Het enkele feit echter dat de jaarafrekening voorafgaand aan het beroep tegen de voorlopige afrekening inmiddels definitief is vastgesteld, betekent nog niet dat eiser daarom geen belang meer heeft bij zijn beroep. De Rb. is van oordeel dat het procesbelang bij een rechterlijk oordeel over de voorlopige jaarafrekening daarin gelegen kan zijn, dat dit oordeel ook gevolgen kan hebben voor de definitieve vaststelling van de jaarafrekening. De Rb. vindt voor dit oordeel steun in een uitspraak van de ABRS 13 januari 2010 (LJN: BK8949), waarin in gelijke zin is geoordeeld inzake de voorlopige vaststelling van de tegemoetkoming kinderopvang. Het maakt naar het oordeel van de Rb. daarbij niet uit of er al dan niet een rechtsmiddel is aangewend tegen de definitieve jaarafrekening. Verweerder heeft immers altijd de bevoegdheid om ambtshalve een eerder genomen besluit te herzien als dit naar zijn oordeel onjuist is. (…) De Rb. wijst verder op het eerder genoemde arrest van de HR van 19 februari 2010 (LJN: BK1034). Hierin heeft de HR geoordeeld dat een procesbelang bestaat bij de beoordeling van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen terwijl nadien een definitieve aanslag is opgelegd waartegen niet is opgekomen, omdat – kort gezegd – uit de voorlopige aanslag een betalingsverplichting voortvloeit, die zo nodig met wettelijke dwangmiddelen kan worden afgedwongen. Dat wordt niet anders indien naderhand een definitieve aanslag wordt opgelegd, waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend, ook niet indien die definitieve aanslag onherroepelijk komt vast te staan, aldus de HR. De Rb. stelt vast dat, net zoals bij een voorlopige aanslag inkomstenbelasting, uit de voorlopige jaarafrekening een betalingsverplichting voortvloeit. De Rb. volgt verweerder niet in zijn stelling dat in de onderhavige situatie, anders dan in het arrest van de HR van 19 februari 2010, geen procesbelang aanwezig is omdat de voorlopige jaarafrekening komt te vervallen als de definitieve jaarafrekening is vastgesteld. Uit de bewoordingen van de Zvw en de Regeling Zorgverzekeringswet kan immers niet worden afgeleid dat de voorlopige jaarafrekening komt te vervallen bij de vaststelling van de definitieve afrekening. De Rb. heeft voor dit standpunt ook geen steun gevonden in de parlementaire geschiedenis bij art. 69 van de Zvw en art. 6.3.3 van de Regeling. Uit verweerders besluiten waarbij de voorlopige en de definitieve jaarafrekening zijn vastgesteld volgt evenmin dat de voorlopige jaarafrekening komt te vervallen zodra de definitieve jaarafrekening is vastgesteld. Dit betekent dat ervan uitgegaan moet worden dat de betalingsverplichting uit de voorlopige jaarafrekening blijft bestaan als de definitieve jaarafrekening wordt vastgesteld. De omstandigheid dat verweerder de op grond van de voorlopige jaarafrekening te betalen bedragen niet actief invordert, doet daar niet aan af. Gelet op het voorgaande komt de Rb. tot de conclusie dat procesbelang blijft bestaan bij de beoordeling van de voorlopige jaarafrekening na vaststelling van de definitieve jaarafrekening, ongeacht de vraag of de definitieve jaarafrekening onherroepelijk is geworden.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.