ECLI:NL:RBAMS:2012:BV1327
Rechtbank Amsterdam · 19-01-2012 · zaaknummer 13-676501-11
Inhoudsindicatie
Veroordeling wegens het kwetsend en beledigend uitlaten over joden in e-mails die aan verschillende adressen werden gestuurd, art. 137c Sr. - E-mailverkeer kan gelezen kan worden en is derhalve te beschouwen als “geschrift” in de zin van de wet. - Openbare karakter: Verdachte heeft de tenlastegelegde e-mails gericht aan een reeks e-mailadressen van particulieren en organisaties, waaronder politieke partijen. Naar aard en aantal betreft het hierbij een zodanig verspreidingsbereik, dat de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte het oog had op een zo breed mogelijke kennisneming van deze berichten. Dit komt ook overeen met de doelstelling die verdachte had om te provoceren dan wel de maatschappelijke discussie op gang te brengen. Verdachte heeft zich met deze e-mails in het openbaar heeft uitgelaten als bedoeld in artikel 137c. - De uitlatingen van verdachte in de e-mails zoals vermeld in de onder 1, 2 en 5 aan verdachte ten laste gelegde feiten zien op een groep mensen waarvan het gezamenlijke kenmerk het jood zijn is en zij worden collectief getroffen in hetgeen voor hun groep kenmerkend is, namelijk het jood zijn. De uitlatingen stellen de joden in een ongunstig daglicht. Dit volgt uit de feitelijke bewoordingen van de ten laste gelegde uitlatingen. Dit maakt dat de ten laste gelegde uitlatingen een beledigend karakter hebben. - De uitlatingen van verdachte leveren geenszins een bijdrage aan enig maatschappelijk debat en zijn daar ook volstrekt niet dienstig aan. Zelfs als verdachte moet worden geloofd in zijn verklaring bij de politie, dat zijn doel was de maatschappelijke discussie in de politiek op gang te krijgen, dan zijn de e-mails naar hun taalgebruik, uitdrukkingsvormen en toonzetting van een zodanige aard dat het verband met dit doel in redelijkheid niet meer kan worden gelegd. Uitlatingen leveren geen bijdrage aan of zijn dienstig aan een geloofsovertuiging en evenmin vallen onder de bescherming van de artistieke expressie. Geen sprake van een context die het beledigende karakter daaraan ontneemt. - De rechtbank gaat ervan uit dat met toepassing van voormeld toetsingskader als hiervoor overwogen, mede is voldaan aan de vereisten die artikel 10 EVRM en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in zijn jurisprudentie stellen aan een geoorloofde beperking van het in dit artikel neergelegde recht van vrijheid van meningsuiting. - Opzet: Gelet op de (wel)bewustheid waarmee verdachte de bewezenverklaarde passages heeft geschreven en op het objectief beledigende karakter van deze passages gaat de rechtbank ervan uit dat ook verdachte zich van het beledigende karakter van zijn uitlatingen bewust moet zijn geweest ten tijde van het schrijven en verzenden ervan. In ieder geval heeft hij moeten beseffen dat deze passages, gezien de inhoud, bezwaarlijk anders dan als beledigend kunnen worden beschouwd. Verdachte heeft dan ook op zijn minst voorwaardelijke opzet gehad op de onder 1, 2 en 5 bewezenverklaarde feiten. - Tweede lid van artikel 137c Sr: Per ten laste gelegd feit steeds één e-mail, met een specifieke tekst, verstuurd op één datum. Niet wettig en overtuigend kan bewezen worden dat verdachte zich (tevens) heeft schuldig gemaakt aan “het een gewoonte maken” van een beledigende uitlating, zoals bedoeld onder artikel 137c, lid 2 Sr. Eenvoudige belediging bewezen (art. 266 WvS) - Overweging met betrekking tot de rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 266 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht: Onder verwijzing naar hetgeen onder 3.3.2.3 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de uitlating van verdachte niet is gedaan in de context van het maatschappelijk debat, zodat de in artikel 266 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bijzondere rechtvaardigingsgrond in het onderhavige geval niet van toepassing is. Ten aanzien van de benadeelde partij: Met inachtneming van de overweging van de Hoge Raad uit het arrest HR 16 april 1996, LJN AD 2525, NJ 1996, 527, is de rechtbank van oordeel dat in het geval van deze e-mails wel sprake is van een rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde feit en door de benadeelde partij geleden schade.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
