Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL8530

Rechtbank Amsterdam · 26-02-2010 · zaaknummer HA RK 10.169

StrafrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge art. 512 Sv. Verzoek toegewezen. Het wrakingsverzoek had betrekking op de leden de meervoudige strafkamer die zijn belast met de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte. Het verzoek berust op de grond dat de voorzitter van de meervoudige kamer de officier van justitie heeft gewezen op een fout in de dagvaarding. Deze handelwijze is niet gepast en is schadelijk voor het vertrouwen in de onafhankelijke rechtspraak en de belangen van verzoeker. Daarnaast berust het verzoek op door de rechters ter zitting gedane negatieve uitlatingen over verzoeker. Verzoeker doelt hierbij op de opmerking dat er substantiële aanwijzingen zijn dat de terugtrekking van zijn vorige advocaat en het daaropvolgende aanhoudingsverzoek onderdeel uitmaken van een vooropgezet plan om de procedure te vertragen en dat verdachte wat dat betreft de schijn tegen heeft. De wrakingskamer is van oordeel dat bij de beoordeling op de uitlatingen van de voorzitter meeweegt dat verzoeker daar zonder raadsman is verschenen en dat het in de strafzaken waarin hij verdachte is om omvangrijke dossiers gaat. De behandeling stond vrijwel geheel in het teken van zijn verzoek om aanhouding, dat uiteindelijk is toegewezen. Voordat het verzoek om aanhouding werd behandeld heeft de voorzitter zich tot de officier van justitie gericht met de vraag naar diens standpunt over een onderdeel van de dagvaarding, waarin volgens de voorzitter twee tegenstrijdige beschuldigingen leken te zijn opgenomen. Noch uit het proces-verbaal noch anderszins is gebleken dat ook verzoeker over dit punt is gehoord. Evenmin is gebleken dat hem is uitgelegd wat de voorzitter met zijn vraag aan de officier van justitie beoogde. Door aldus en onder deze omstandigheden op eigen initiatief de officier van justitie te wijzen op een tegenstrijdigheid in de dagvaarding heeft de voorzitter verzoeker de indruk gegeven dat hij de officier van justitie wilde behoeden voor een fout die aan een bewezenverklaring in de weg zou kunnen staan. Dat heeft bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees kunnen wekken dat de voorzitter niet onpartijdig is. Overwegingen van efficiency kunnen daaraan niet afdoen. In zoverre is het verzoek dan ook gegrond. De wrakingskamer is daarnaast van oordeel dat het de rechter op zichzelf vrijstaat een verdachte te confronteren met bewijsmateriaal dat niet strookt met zijn verklaring en de rechter mag zich daarbij bedienen van een kritische vraagstelling. In deze zaak hebben de rechters zich daartoe echter niet beperkt, maar hebben zij bij de motivering van hun beslissing over het aanhoudingsverzoek van verzoeker er blijk van gegeven de geloofwaardigheid van verzoeker in twijfel te trekken, en dat op een moment dat de inhoudelijke behandeling van de zaak nog moest beginnen. Het uiten van twijfel over de geloofwaardigheid van verzoeker, maar ook de mededeling dat hij de schijn tegen heeft, kan bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees hebben gewekt dat de rechters niet onpartijdig zijn. Ook in dit opzicht is het verzoek gegrond.

Advocaten

  • H. Anker

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.