Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK0995

Rechtbank Amsterdam · 07-10-2009 · zaaknummer 407133 - HA ZA 08-2469

Civiel rechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid; betalingsonmacht versus betalingsonwil In het voetspoor van de (in kort geding gewezen) uitspraak van de Hoge Raad van 3 april 1992 (NJ 1992, 411) ziet de rechtbank in de omstandigheden van het geval reden om de door eiseres (crediteur van de Vennootschap) gestelde betalingsonwil op voorhand bewezen te achten en om gedaagde (bestuurder van de Vennootschap) toe te laten om dat vermoeden te ontkrachten door bewijs te leveren van de door hem gestelde betalingsonmacht. Anders dan partijen leest de rechtbank genoemd arrest aldus dat in de omstandigheden van het geval in die zaak op voorhand kon worden aangenomen dat sprake was van betalingsonwil, behoudens te leveren tegenbewijs, inhoudend dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van betalingsonmacht. Vergelijkbare omstandigheden doen zich ook hier voor, te weten een substantiële vordering van eiseres op de Vennootschap die jarenlang (grotendeels) onbetaald en onverhaald blijft, gedaagde die (nagenoeg) volledige zeggenschap heeft over de Vennootschap, jaarstukken waarin de activa van de Vennootschap tegen zeer aanzienlijke bedragen worden gewaardeerd en het gegeven dat in de relevante periode betalingen aan groepsmaatschappijen worden verricht. Tegen die achtergrond is het aan gedaagde om te weerleggen dat sprake is van betalingsonwil. Voor zover gedaagde (gedeeltelijk) mocht slagen in het door hem te leveren bewijs van betalingsonmacht - bij wijze van tegenbewijs tegen de op voorhand aangenomen betalingsonwil -, rust op eiseres in beginsel de bewijslast van haar nadere stellingen dat ook een eventuele (gedeeltelijke) betalingsonmacht aan gedaagde te verwijten valt, omdat die onmacht (mede) veroorzaakt is door selectieve betalingen aan andere crediteuren dan eiseres. Voor zover eiseres kan bewijzen dat dergelijke betalingen hebben plaatsgevonden, terwijl gedaagde er ernstig rekening mee moest houden dat (mede) als gevolg daarvan onvoldoende middelen zouden overblijven om de vordering van eiseres te voldoen, kan gedaagde daarvoor in beginsel aansprakelijk worden gehouden. Dit, behoudens door gedaagde te leveren tegenbewijs, inhoudend dat zich omstandigheden voordeden - zoals hij impliciet ook lijkt te stellen - op grond waarvan de voorkeursbehandeling van de tot de groep behorende crediteuren kan worden gerechtvaardigd (zie HR 12 juni 1998, NJ 1998, 727).

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.