ECLI:NL:RBAMS:2009:BI0772
Rechtbank Amsterdam · 25-03-2009 · zaaknummer 13.497.060-2009
Inhoudsindicatie
In deze zaak gaat het om een verzoek tot overlevering ter fine van strafvervolging en is onder meer aan de orde de toetsing van de in artikel 6, lid 5 van de OLW genoemde voorwaarde dat de opgeëiste persoon in het bezit dient te zijn van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd om in aanmerking te komen voor gelijkstelling aan de positie van een Nederlander in het kader van een dergelijk verzoek. De opgeëiste persoon is van Duitse nationaliteit en niet in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Wel blijkt uit informatie verkregen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) dat zij sinds 22 augustus 2008 een verblijfsvergunning heeft op grond van het gemeenschapsrecht en dat zij sinds 18 augustus 2008 is ingeschreven in de GBA op adres. Verder heeft de opgeëiste persoon verklaard dat zij in Nederland werkzaam is, hier naar school gaat, hier haar vrienden heeft en hier haar toekomst wil opbouwen. Voor de beantwoording van de vraag of de opgeëiste persoon dient te worden gelijkgesteld met een houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als genoemd in artikel 6, lid 5 van de OLW acht de rechtbank de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van de door de rechtbank Amsterdam bij tussenuitspraak van 28 december 2007 in de zaak Wolzenburg (LJN: BC9789) gestelde prejudiciële vragen van belang.
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
