ECLI:NL:RBAMS:2006:AW6508
Rechtbank Amsterdam · 27-04-2006 · zaaknummer 13/421938-05
Inhoudsindicatie
Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een bewoner van een woning alwaar de politie wil binnentreden, was het uitgangspunt van de wetgever dat het binnentreden altijd voorafgaand moet worden getoetst door een hogere autoriteit dan degene die zijn bevoegdheid tot binnentreden wil uitoefenen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad vloeit echter voort dat voldoende is dat het binnentreden onder toezicht staat van een autoriteit die bevoegd is tot het geven van een machtiging tot binnentreden. Uit artikel 3 lid 1 sub c van de Algemene wet op het binnentreden blijkt dat de hulpofficier van justitie een dergelijke autoriteit is. In zijn uitspraak van 26 juni 1984, NJ 1985, 154, accepteert de Hoge Raad bovendien dat het binnentreden plaatsvindt op grond van een door een hulpofficier van justitie aan zichzelf uitgeschreven machtiging. De Hoge Raad vereist daarbij dat de machtiging schriftelijk wordt opgemaakt. Ook onder de Algemene wet op het binnentreden is het geven van een machtiging aan zichzelf door een hulpofficier van justitie geaccepteerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
