ECLI:NL:RBAMS:2005:AU5098
Rechtbank Amsterdam · 27-10-2005 · zaaknummer 13/451280-05
Inhoudsindicatie
Verdachte - een ambulancebroeder - heeft in zijn contacten met het slachtoffer als werkdiagnose gesteld dat sprake was van overmatig gebruik van verdovende middelen leidend tot overwegend psychiatrische verschijnselen en niet zozeer tot fysieke gevolgen voor het slachtoffer. Verdachte heeft niet onderkend dat bij het slachtoffer sprake was van cocaïnedelirium. Uit het onderzoek ter terechtzitting is duidelijk geworden dat bij de beoordeling van de situatie waarin het slachtoffer zich die bewuste avond bevond, fouten zijn gemaakt en niet alleen door verdachte. In deze strafzaak gaat het uitsluitend om de beoordeling van de vraag of verdachte het slachtoffer opzettelijk in een hulpbehoevende toestand heeft gebracht of gelaten en of het slachtoffer ten gevolge daarvan is overleden. De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie - het telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
