Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBAMS:2001:AD5051

Rechtbank Amsterdam · 22-10-2001 · zaaknummer AWB 00/4813 WAO

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

1. Verblijf in huis van bewaring in het kader van voorarrest en gedwongen plaatsing op grond van art. 37, eerste lid, WvSr of Wet Bopz zijn voor de toepassing van art. 14 EVRM niet aan te merken als gelijke gevallen. 2. Geen aanleiding om op grond van enig algemeen rechtsbeginsel uitzondering te maken bij voorlopige hechtenis, nu de wetgever uitdrukkelijk de vraag onder ogen heeft gezien. Voor de beantwoording van de vraag of het door de wetgever gemaakte onderscheid in behandeling tussen de verschillende vormen van vrijheidsbeneming in overeenstemming is met art.14 EVRM, dient allereerst te worden bezien of sprake is van gelijke gevallen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. De enige oveeenkomst tussen een verblijf in een huis van bewaring in het kader van een voorarrest en gedwongen plaatsing op grond van art. 37, eerste lid, WvSr of de Wet Bopz is dat de betrokkene niet vrij is te gaan en staan waar hij wil. Van enige verdere overeenkomst, met name voor wat betreft de grondslag waarop de vrijheidsbeneming berust of voor wat betreft het toepasselijke regime, is geen sprake. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank onvoldoende basis aanwezig om te kunnen spreken van gelijke gevallen. Nu geen sprake is van gelijke gevallen kan reeds daarom geen sprake zijn van schending art. 14 EVRM Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat op grond van enigerlei algemeen rechtsbeginsel een uitzondering dient te worden gemaakt voor personen die in voorlopige hechtenis verblijven kan de rechtbank eiser hierin niet volgen. Het gaat in het onderhavige geding om de toepassing van wetgeving in formele zin. Ten aanzien van de toetsing van wetgeving in formele zin aan de algemene rechtsbeginselen volgt de rechtbank de benadering die door de Hoge Raad is gekozen in het Harmonisatiewetarrest van 14 april 1989, gepubliceerd in AB 1989, 207. Deze benadering houdt in dat artikel 120 Grondwet in principe in de weg staat aan de toetsing van een wet in formele zin aan de algemene rechtsbeginselen. Het is slechts mogelijk strikte wetstoepassing achterwege te laten wanneer sprake is van niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden. Van niet door de wetgever verdiconteerde omstandigheden is in dit geval geen sprake. De wetgever heeft blijkens de Memorie van Toelichting (TK 1997-1998, 26 063, nr. 3, p. 14) uitdrukkelijk de vraag onder ogen gezien of het gegeven dat bij een voorlopige hechtenis (nog) niet is komen vast te staan dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit zou moeten leiden tot het maken van een uitzondering. De wetgever heeft die vraag ontkennend beantwoord. De wetgever heeft daartoe overwogen dat in de situatie waarin de betrokkene uiteindelijk veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf de periode van voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf. In de situatie waarin de betrokkene niet wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf kan de betrokkene desgewenst schadevergoeding vorderen. Beroep ongegrond. Lisv, verweerder. mrs. T. van Peijpe, R.B. Kleiss, A. van Sonsbeeck

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.