Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBAMS:2001:AD4037

Rechtbank Amsterdam · 18-09-2001 · zaaknummer AWB 01/449 AKW

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Artt. 7b AKW en XIII Wet BEU niet in strijd met art. 4 Verdrag nr. 118. Wet BEU is evenmin in strijd met art. 26 IVBPR. Verweerder heeft (o.a.) geweigerd eiser kinderbijslag te verstrekken over het eerste kwartaal van 2000 onder verwijzing naar de Wet BEU. Rechtbank: Art. 4 Verdrag nr. 118 IAO ziet alleen op directe discriminatie naar nationaliteit en niet ook op indirecte discriminatie naar nationaliteit (Centrale Raad van Beroep 17 maart 1992, RSV 1993/56). Noch art. 7b AKW, noch art. XIII Wet BEU maakt een direct onderscheid naar nationaliteit. Reeds daarom kan eisers beroep op art. 4 Verdrag nr. 118 niet slagen. Uit de tekst van en commentaren bij art. 6 Verdrag nr. 118 leidt de rechtbank af dat de toepassing van art. 6 afhankelijk is van andere afspraken tussen de leden van de IAO onderling. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat art. 6 naar aard en inhoud onvoldoende bepaald is om te kunnen worden aangemerkt als een ieder verbindende bepaling in de zin van art. 93 GW, waaraan rechtstreekse werking toekomt. Dat art. 10.1 Verdrag 118 bepaalt dat het verdrag op vluchtelingen van toepassing is zonder voorwaarden van wederkerigheid kan daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen. De rechtbank acht het niet voor de hand liggen een bepaling die op zichzelf beschouwd niet kan worden aangemerkt als een rechtstreeks werkende bepaling, via een andere bepaling, ten aanzien van een bepaalde groep personen toch rechtstreekse werking toe te dichten. Beroep op Verdrag nr. 118 faalt derhalve. Ten aanzien van het beroep op art. 26 IVBPR overweegt de rechtbank dat het doel van de Wet BEU is de verbetering van de zogenoemde handhaafbaarheid - de controle op rechtmatigheid - van uitkeringen buiten Nederland. Als middel om dit doel te realiseren heeft de wetgever gekozen voor een systeem waarbinnen uitkeringen alleen (volledig) kunnen worden geëxporteerd naar landen waar adequate controlemogelijkheden bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een legitiem doel en is het middel dat de wetgever heeft gekozen geschikt om dit doel te bereiken, terwijl de negatieve effecten van het door de wetgever gekozen middel in een redelijke verhouding staan tot het door de wetgever beoogde doel. Onder deze omstandigheden kan geen sprake zijn van schending van art. 26 IVBPR. Beroep ongegrond. De Sociale Verzekeringsbank, verweerder. mrs. M.C. Bruning, E.C. Ruinaard, B.J. Schueler IVBPR 26 Verdrag nr. 118 van de Internationale Arbeidsorganisatie 4, 6, 10 AKW 7b Wet Beperking Export van Uitkeringen XIII

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.