Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBAMS:2001:AD3777

Rechtbank Amsterdam · 03-07-2001 · zaaknummer AWB 00/718 AKW

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Schending van de redelijke termijn ex art. 6 EVRM door SVB wordt gecompenseerd door matiging van het terugvorderingsbedrag met fl. 450,-. Aangezien eisers zoon X gedurende het vierde kwartaal van 1992 tot en met het derde kwartaal van 1994 niet in belangrijke mate werd onderhouden wordt ten onrechte verstrekte kinderbijslag ad fl. 4.736,- teruggevorderd. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser X gedurende litigieuze periode niet in belangrijke mate heeft onderhouden. Verweerder kon terecht overgaan tot terugvordering. Met betrekking tot de schending van de redelijke termijn is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat als gevolg van verweerders nalaten om begin 1999 een beslissing op het bezwaar van eiser te nemen, de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM is geschonden. Het beroep is in zoverre derhalve gegrond. Voor wat betreft de aan de overschrijding van de redelijke termijn te verbinden gevolgen wijst de rechtbank erop dat volgens vaste jurisprudentie een dergelijke schending niet zonder meer leidt tot het teloor gaan van de bevoegdheid een sanctie op te leggen (CRvB 4 mei 1995, RSV 1995/260) of terug te vorderen (CRvB 17 maart 1999, RSV 1999/232). Derhalve zal schending van de redelijke termijn ook niet zonder meer ertoe leiden dat de uitvoering van dwingendrechtelijke bepalingen betreffende de terugvordering voor verweerder geen rechtsplicht meer kan vormen. Ook in het onderhavige geval leidt de schending van de redelijke termijn er niet toe dat de rechtsplicht van verweerder om ten onrechte betaalde kinderbijslag terug te vorderen (geheel) komt te vervallen. De schending van de redelijke termijn rechtvaardigt wel een reactie. De vertraging blijkt veroorzaakt te zijn door het zoekraken van het dossier bij de verhuizing van verweerder. Deze schending dient naar het oordeel van de rechtbank gevolgen te hebben voor de hoogte van het van eiser terug te vorderen bedrag. De rechtbank acht het in dit geval aangewezen om de hoogte van het terug te vorderen bedrag te matigen met een bedrag van fl. 450,-. Met genoemde matiging wordt de geconstateerde schending afdoende gecompenseerd. Beroep gegrond. Bestreden besluit vernietigd. Gelet op al het bovenstaande, alsmede teneinde de rechtstrijd op dit punt te beslechten, ziet de rechtbank voldoende aanleiding om krachtens art. 8:72.4 Awb zelf in de zaak te voorzien. Sociale Verzekeringsbank, verweerder. mr. L.C. Bachrach

Advocaten

  • M.M.A. van Hoof

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.