ECLI:NL:RBAMS:2001:AB1444
Rechtbank Amsterdam · 04-04-2001 · zaaknummer AWB 99/4101 WET 19
Inhoudsindicatie
Indien op het moment van indiening van het naturalisatieverzoek wordt voldaan aan de vijf-jarentermijn ex art. 8.1.c Rijkswet, kan onderbreking van het verblijf hier te lande, gelegen ná dat moment, niet meer worden tegengeworpen. Afwijzing van op 23 oktober 1997 gedateerd verzoek om naturalisatie op de grond dat niet wordt voldaan aan de - ingevolge art. 8.1.c. Rijkswet gestelde - voorwaarde van vijf jaren onafgebroken verblijf onmiddellijk voorafgaande aan (de beslissing op) de aanvraag, nu eiser in de periode van 7 januari 1998 tot 7 mei 1998 in Pakistan heeft verbleven. In geschil is of het bestreden besluit is genomen in overeenstemming met art. 8.1.c Rijkswet, nu eiser een periode van afwezigheid wordt tegengeworpen, die ligt nà het moment van het naturalisatieverzoek. De rechtbank concludeert dat zowel in de - opeenvolgende - op de Rijkswet gebaseerde regelgeving, circulaires en uitvoeringsvoorschriften, als in het door verweerder in de Handleiding neergelegde beleid met betrekking tot de toepassing van art. 8 Rijkswet, bij de hantering van de hier aan de orde zijnde voorwaarde steeds van het, in de wet neergelegde, moment van indiening van het verzoek als peilmoment wordt uitgegaan. Voor de stelling van verweerder, dat óók het moment van de beslissing op het verzoek voor de beoordeling van deze voorwaarde relevant is, kan geen steun worden gevonden in de hiervoor genoemde bronnen. Bepalend is derhalve volgens de Rijkswet het moment waarop het naturalisatieverzoek wordt ingediend en het moment waarop daarop in primo, dan wel in bezwaar, wordt beslist. Art. 7:11 Awb doet aan het vorenstaande niet af. De heroverweging van het eerdere besluit dient plaats te vinden met inachtneming van hetgeen in de Rijkswet is bepaald en deze wet schrijft hier een bepaald beoordelingstijdstip voor. De jurisprudentie van de ABRS inzake de zogenaamde bedenkingenprocedure (zie uitspraak ABRS van 18 juni 1998, JV 1998/129) heeft geen betrekking op zaken als de onderhavige, waarin niet het bestaan van bedenkingen, maar de vijf-jarentermijn aan de orde is. Dat - anders dan in het geval van de vijf-jarentermijn - met betrekking tot de bedenkingenprocedure door de wetgever geen beoordelingsmoment is vastgesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank te verklaren en te rechtvaardigen door het verschil in ratio van beide bepalingen. De Staatssecretaris van Justitie, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder. mr. H.P.M. Meskers Awb 7:11 Rijkswet op het Nederlanderschap 8.1.c Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Rechters
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
