ECLI:NL:RBALM:2008:BD5487
Rechtbank Almelo · 25-06-2008 · zaaknummer 07 / 659 WWB A1 A
Inhoudsindicatie
Gelet op het voorgaande is er in beginsel dus geen plaats voor beperking van de terugvordering tot de periode 1 juli 1997 tot 3 april 2003. Naar het oordeel van de rechtbank ook anderszins niet. Het bedrag dat wordt teruggevorderd is niet opgelopen doordat verweerder na 3 april 2003 geen activiteiten meer heeft verricht. Om vervreemding en het daardoor niet kunnen incasseren van de vordering (op termijn) van de ten onrechte verleende bijstand te voorkomen, heeft verweerder op grond van een in Marokko aan te spannen gerechtelijke procedure getracht conservatoir beslag te leggen op de tot dan toe bekende bezittingen van eiser alvorens daadwerkelijk tot intrekking en terugvordering over te gaan. Dat verweerders vrees voor vervreemding van vermogen gegrond was, blijkt te meer nu eiser op het moment dat hij werd geconfronteerd met de beschikking over vermogen in de vorm van onroerende zaken in Marokko dat de algemene vermogensvrijlating te boven gaat, hij dat vermogen zonder daarvan mededeling te doen aan verweerder heeft geschonken aan zijn dochter. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verweerder niet kan worden verweten dat hij heeft geprobeerd conservatoir beslag te laten leggen op de onroerende zaken van eiser in Marokko zonder daarvan ruchtbaarheid aan eiser te geven. Dat in verband hiermee de bijstand na 3 april 2003 is gecontinueerd, hoeft in het kader van de belangenafweging niet in het nadeel van verweerder uit te vallen. Nadat verweerder was gebleken dat de procedure tot mogelijke beslaglegging in Marokko stuk liep en er ook geen zicht op enig positief resultaat was, heeft verweerder ook niet stilgezeten maar meteen actie ondernomen door de uitkering van eiser en [ex-echtgenote] op te schorten en hen te confronteren met het bezit van onroerende zaken in Marokko. Op dat moment had eiser op geen enkele wijze inlichtingen verstrekt over deze bezittingen. In tegendeel: bij het eerste verhoor van eiser op 14 februari 2006 heeft hij het bezit van onroerende zaken in Marokko ontkend. Voor het eerst in maart 2006 erkent eiser het bezit van de woning die aan zijn vader toebehoorde, maar blijft hij het bezit van het appartementencomplex compleet met winkels ontkennen, terwijl hij dat complex, zo blijkt uit latere gegevens, al op 21 februari 2006 heeft geschonken aan zijn dochter. Tijdens het verhoor hieromtrent op 18 juli 2006 ontkent eiser nog steeds het bezit van dat appartementencomplex, maar meldt hij wel de eerdere verkoop van de woning die aan zijn vader heeft toebehoord, hetgeen overigens derhalve ook niet tijdig aan verweerder is gemeld. Vervolgens erkent eiser voor het eerst in oktober 2006 het bezit van het appartementencomplex, compleet met winkels. Eiser is gelet op het voorgaande dus zelf mede schuldig aan c.q. verantwoordelijk voor het ongewijzigd doorlopen van de bijstand na 3 april 2003. Bij eiser kon derhalve over de gehele periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2005 op geen enkele wijze het gerechtvaardigd vertrouwen zijn ontstaan dat hij aanspraak kon maken op bijstand en/of dat van terugvordering zou worden afgezien.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
- P. Gerritsen
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede
verweerder · overheid
[eiser]
eiser · onbekend
Overheidspartijen
Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
