Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBALM:2001:AD9815

Rechtbank Almelo · 28-12-2001 · zaaknummer 01/915 BSTPL Q1 V, 01/916 BSTPL Q1 A

BestuursrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door beroep in te stellen tegen fictieve weigering te beslissen op bezwaar terwijl bezwaarschrift was doorgezonden naar de rechtbank c.q. de Raad van State en verzoeker daarvan op de hoogte was. Beroep tegen fictieve weigering van verweerder te beslissen op verzoekers bezwaarschriften van 19 april 2001 en 9 augustus 2001. Het bezwaarschrift van verzoeker van 19 april 2001 is door verweerder aan de rechtbank gezonden ter behandeling als bezwaarschrift (redactie: lees beroepschrift). Dit stuk is dan ook door de president in aanmerking genomen bij de beoordeling van het geschil. Ten aanzien van dit bezwaarschrift kon en kan verweerder geen beslissing meer nemen, omdat het terecht op grond van het bepaalde in art. 6:15 Awb was doorgezonden en onderdeel was geworden van de beroepsprocedure. Beroep tegen de (fictieve) weigering van verweerder om te beslissen op dit bezwaarschrift is niet-ontvankelijk. Het bezwaarschrift van 9 augustus 2001 maakte deel uit van de procedures met registratienummers 01/649 en 01/604, waarvan verzoeker ook in kennis is gesteld, die ter behandeling doorgezonden zijn aan de Raad van State. Ook ten aanzien van dit bezwaarschrift kon verweerder ten tijde van het indienen van het beroep- en verzoekschrift geen beslissing meer nemen. Ook het beroep tegen de (fictieve) weigering om te beslissen op dit bezwaarschrift en het daarmee samenhangende verzoek zijn niet-ontvankelijk. De president ziet aanleiding om verzoeker te veroordelen in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, nu er naar zijn oordeel sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door verzoeker als bedoeld in art. 8:75 Awb. Verzoeker wist dat verweerder ten aanzien van voornoemde bezwaarschriften niet meer bevoegd was te beslissen. Tevens heeft verweerder bij brief van 23 november 2000, respectievelijk bij besluit, gedateerd 18 juli 2001, al beslist op het verzoek van 14 november 2000, respectievelijk het bezwaarschrift van 3 januari 2001. Naar het oordeel van de president dienden het onderhavige verzoek en beroep dan ook geen enkel redelijk doel. Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AT3736.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.