ECLI:NL:RBALM:2000:AA5789
Rechtbank Almelo · 28-04-2000 · zaaknummer 99/887 BSTPL H1 A
Inhoudsindicatie
Rechtsoordeel over gebruik van woning door twee huishoudens is geen besluit als bedoeld in art. 1:3, eerste lid Awb. Brief van verweerder d.d. 28 april 1999, inhoudende dat gebruik van de woning van eisers door twee huishoudens in strijd is met zowel het geldende bestemmingsplan als met het (overgangsrecht bij) het bestemmingsplan Buitengebied 1996. Slechts het gebruik door eisers en de ouders van eiser sub 1 is mogelijk. Rb.: Als gevolg van de brief van verweerder van 28 april 1999 zijn strikt genomen geen nieuwe rechten of plichten in het leven geroepen. Deze brief bevat slechts een uitleg van verweerder over de rechtstoestand zoals deze in het leven is geroepen door het bestemmingsplan "Buitengebied 1996", het voordien geldende bestemmingsplan en de bouwvergunning met vrijstelling van 10 februari 1983. Eisers hebben geen van deze besluiten bestreden en die besluiten zijn onherroepelijk geworden. De Rb. verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), onder meer de uitspraken van 15 september 1997, AB 1998, 8 (Schijndel; LJN AA3601 ) en 16 november 1998, Gst. 7090, 6 (Wassenaar; LJN ZF3612). De Rb. begrijpt deze jurisprudentie aldus dat onder omstandigheden een mededeling van een bestuursorgaan over een specifieke rechtstoestand kan worden aangemerkt als gericht op rechtsgevolg, indien het gaat om een zelfstandig en als definitief bedoeld rechtsoordeel betreffende de toepasselijkheid van een publiekrechtelijk voorschrift, ten aanzien waarvan het bestuursorgaan de beslisbevoegdheid of de bevoegdheid tot handhaving heeft. Een andere weg dan het vragen van een rechtsoordeel moet uit een oogpunt van rechtszekerheid onder die betreffende omstandigheid onevenredig bezwarend worden geacht. (...) Echter ook in het licht van de genoemde jurisprudentie van de Afdeling kan de brief van 28 april 1999 naar het oordeel van de Rb. niet worden aangemerkt als een besluit. Weliswaar bevat de brief van 28 april 1999 een zelfstandig en definitief rechtsoordeel van verweerder en is verweerders bevoegdheid tot handhaving in geding. Een kenmerkend verschil met de aangehaalde jurisprudentie is echter dat geen sprake is van de uitleg van een algemeen verbindend voorschrift, maar van een aan eiser sub 1 verleende beschikking, namelijk de bouwvergunning van 10 februari 1983, waarvan deel uitmaakt een vrijstelling op grond van art. 19 van de WRO.(...) Voor eisers geldt in dit verband het volgende. Ook al was het verkopen van de woning op 10 februari 1983 niet aan de orde, eisers hadden zich niettemin rekenschap dienen te geven van de gevolgen die de beschikking van die datum voor hen in de toekomst zou kunnen hebben. Eisers hadden destijds het recht om beroep in te stellen tegen de verleende verklaring van geen bezwaar en om bezwaar te maken tegen de vrijstelling. Deze mogelijkheid hebben zij ongebruikt gelaten. Daardoor is het voor hen nu niet meer onevenredig bezwarend te achten als zij geen rechtsoordeel kunnen vragen, zelfs als dit betekent dat zij een handhavingsbesluit dienen af te wachten. Er bestaat daarom geen reden om aan te nemen dat de brief van 28 april 1999 op rechtsgevolg is gericht. Dit is slechts anders als zou blijken dat verweerders opvatting over het in deze situatie geldende recht zodanig onwaarschijnlijk is dat eisers daar in het geheel geen rekening mee hadden hoeven houden. Marginaal toetsend is van betekenis dat het in ieder geval eiser sub 1 bekend was dat GS alleen na een bezwaarprocedure in verband met de omstandigheden van het geval de gevraagde verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven, onder de voorwaarde "dat zodanig wordt verbouwd dat wordt vermeden dat zich in de toekomst een situatie kan ontwikkelen dat van blijvende huisvesting voor meer gezinnen sprake is." Derhalve is verweerders opvatting te verdedigen dat met de vrijstelling voor dubbele bewoning een beperkte, specifieke uitzondering is gemaakt die alleen geldt voor eisers. Eisers hadden vanaf het begin met deze opvatting rekening moeten houden. Bestreden besluit vernietigd en bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. College van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder. mrs. H.G. Rottier, R.J. Jue, A.E.M. Effting-Zeguers
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
