ECLI:NL:RBALK:2012:BX2352
Rechtbank Alkmaar · 12-07-2012 · zaaknummer 09/1365
Inhoudsindicatie
Eiser, een startende zelfstandige vanuit een WW-situatie, heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding, nadat de besluiten in zijn zaak tot herziening en terugvordering van WW-uitkering en tot boeteoplegging wegens schending inlichtingenplicht op basis van het advies van de commissie Asscher-Vonk zijn herroepen. Het verzoek om vergoeding van de gestelde vermogensschade wegens omzetverlies wordt afgewezen. Eiser heeft de gestelde schade en de omvang daarvan onvoldoende onderbouwd. Bovendien is het niet uitgesloten dat eiser de gestelde schade ook zou hebben geleden indien de onrechtmatige besluiten niet zouden zijn genomen, zodat niet is gebleken dat er een verband bestaat tussen de door eiser gestelde schade en deze besluiten. De rechtbank ziet voorts onvoldoende grond voor het oordeel dat eiser zodanig in zijn eer en goede naam is geschaad dat daar een schadevergoeding tegenover zou moeten staan. Eiser is immers met de intrekking van het onrechtmatige besluit alsnog volledig in het gelijk gesteld, zodat moet worden aangenomen dat daarmee een zeker herstel van zijn eer en goede naam heeft plaatsgevonden. Verder is de gestelde schade in eer en goede naam niet uitsluitend een gevolg van het onrechtmatige besluit of de handelwijze van verweerder bij de totstandkoming daarvan. Ook in de gestelde schending van eisers recht op behoorlijke overheidsinformatie bestaat geen aanspraak op een immateriële schadevergoeding. Ten slotte is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij zodanig onder het besluit heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het BW. Ook het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt daarom afgewezen. De kosten die zijn gemaakt in verband met het bijwonen van de hoorzitting van de commissie Asscher-Vonk dienen naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb , zodat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
