ECLI:NL:RBALK:2012:BW9949
Rechtbank Alkmaar · 21-06-2012 · zaaknummer 10/3023
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om schadevergoeding op grond van art. 6 EVRM vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase in verband met het afdoen van een verzoek ingevolge de Wob. De Rb. stelt voorop dat ingevolge de jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 mei 2009, LJN: BI4558) art. 6 van het EVRM niet van toepassing is op procedures ingevolge de Wob, aangezien hierin het algemeen belang bij openbaarmaking aan de orde is en niet enig burgerrechtelijk recht of enige burgerrechtelijke verplichting van eiser. Echter, zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 3 december 2008, LJN: BG5910, geldt de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan art. 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en noopt dit beginsel er toe dat een geschil binnen de redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt. Aangezien dit vereiste als neergelegd in art. 6 van het EVRM op dat rechtsbeginsel berust, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het EHRM (o.m. het arrest van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006/134) over de uitleg van deze verdragsbepaling. Uit de jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. Uit jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de Afdeling in de uitspraak van 26 mei 2010, LJN: BM5629) blijkt voorts dat in zaken waarin een procedure is gevoerd tot aan de Afdeling de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, dus vijf jaar in totaal. Volgens de jurisprudentie van de Afdeling wordt een vergoeding gepast geacht van € 500 per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. De Rb. volgt eisers standpunt dat beide procedures vanaf 2001 bij elkaar moeten worden opgeteld niet. Zoals door verweerder ter zitting in dit kader terecht is opgemerkt zou deze uitleg betekenen dat de overschrijding van de redelijke termijn geconstrueerd kan worden door Wob-verzoeken in te dienen bij verschillende bestuursorganen. De Rb. is van oordeel dat de eerste procedure van eiser is aangevangen met ontvangst van het bezwaarschrift op 20 februari 2002 en is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling op 13 juli 2005. De tweede procedure van eiser is aangevangen met het bezwaarschrift van 4 oktober 2005 gericht tegen de beslissing van 25 augustus 2005 op het Wob-verzoek van 1 augustus 2005 en is geëindigd op 23 september 2009 met de uitspraak van de Afdeling. Het verzoek tot herziening kan naar het oordeel van de Rb. niet bij berekening van de termijn meegenomen worden. Nu herziening alleen mogelijk is op grond van feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 8:88, lid 1 Awb en de Afdeling in de uitspraak van 19 mei 2010 heeft geoordeeld dat die niet zijn gesteld, is de verlenging van de periode waarin eiser spanning en frustratie ondervond, aan hem zelf te wijten. De Rb. verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2006, LJN: AY9610. De Rb. stelt vast dat in beide afzonderlijk te beoordelen procedures vanaf de datum van ontvangst van het bezwaar tot de uitspraak van de Afdeling geen sprake is van een overschrijding van de termijn van 5 jaar en daarmee geen overschrijding van de redelijke termijn. Aan de vraag wie verantwoordelijk is voor welk deel van de overschrijding wordt dan ook niet toegekomen. Het verzoek om schadevergoeding is terecht door verweerder afgewezen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
de minister van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de minister van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
