ECLI:NL:RBALK:2010:BO6087
Rechtbank Alkmaar · 10-11-2010 · zaaknummer 119549
Inhoudsindicatie
Verklaringsprocedure art. 477a lid 1 Rv. Bewijslast bestaan van vordering berust op de beslaglegger, maar derde dient zijn verklaring desgevraagd met bescheiden te onderbouwen. In dit geval zelfs in het geheel geen schriftelijke derdenverklaring afgelegd; de enkele verklaring in de conclusie van antwoord dat de derde niets verschuldigd is, is onvoldoende. Derde veroordeeld tot betaling, echter slechts van het bedrag waarvoor beslag was gelegd. Beroep op beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid verworpen. Tweede deel van de vordering op grond van gestelde garantstelling niet toewijsbaar, terwijl ook het beroep op art. 3: 70 BW faalt. Vordering is echter desondanks in verband met de omstandigheden van dit geval toewijsbaar, maar op grond van een door gedaagde gepleegde onrechtmatige daad. Gedaagde heeft namelijk bewerkstelligd dat eiseres werkzaamheden zou verrichten voor een derde, waarvan gedaagde wist dat deze niet betaald zouden kunnen worden.
Rechters
Advocaten
- B. Parmentier
- J. van Rhijn
Partijen
[gedaagde]
gedaagde · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
