ECLI:NL:RBALK:2007:AZ7880
Rechtbank Alkmaar · 06-02-2007 · zaaknummer 14.810358-06 en 14.810285-05 (tul)
Inhoudsindicatie
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne. Hoewel verdachte dit feit heeft bekend, is de cocaïne niet aangetroffen en aldus ook niet door een forensisch laborant onderzocht op eventuele aanwezigheid van de op de bij de Opiumwet behorende lijst I vermelde stoffen. Nu behoeft volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het ontbreken van een dergelijk onderzoek niet in de weg te staan aan een bewezenverklaring van een tenlastegelegd Opiumwetdelict, mits voldoende ondersteunend bewijsmateriaal voorhanden is. Zo kan een gebruikerservaring meewegen in het bewijs (Hoge Raad 26 oktober 2004, NJ 2004, 676) of kan de tenlastegelegde hoeveelheid verdovende middelen deel hebben uitgemaakt van een andere, reeds door een laborant onderzochte hoeveelheid verdovende middelen (Hoge Raad 16 mei 2006, NJ 2006, 304). De rechtbank is echter van oordeel dat in de onderhavige zaak de bekentenis van verdachte in onvoldoende mate wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Verdachte wordt wel veroordeeld voor het schrijven van een dreigbrief.
Advocaten
- M.C.A. Stoop
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
