ECLI:NL:PHR:2024:791
Parket bij de Hoge Raad · 26-07-2024 · zaaknummer 23/02142
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:919 Douanerecht; tariefcontingent vis; bijzondere bestemming; art. 293 UCDW; bijlage 67 UCDW; overschrijdingen hoeveelheid en waarde vergunning; art. 8:42 Awb; art. 212 bis CDW; rechtszekerheidsbeginsel; rente op achterstallen; 114 DWU; Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. Belanghebbende heeft goederen met een gunstige tariefbehandeling in het vrije verkeer gebracht onder de regeling bijzondere bestemming. Zij beschikte hiervoor over de vereiste vergunning, waarin per goederensoort een hoeveelheid en waarde wordt vermeld. Tijdens een controle is gebleken dat belanghebbende gedurende enkele jaren voor een grotere hoeveelheid en/of waarde goederen onder de regeling bijzondere bestemming heeft geplaatst dan vermeld in de vergunning. In de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie behandelt A-G Ettema de vraag of de overschrijding van de hoeveelheid en/of waarde die is vermeld in de vergunning bijzondere bestemming, leidt tot het ontstaan van een douaneschuld. De A-G komt tot de slotsom dat uit het voorgeschreven vergunningmodel in bijlage 67 UCDW volgt dat de hoeveelheid en waarde verplicht te vermelden gegevens zijn in de vergunning bijzondere bestemming. Een strikte taalkundige uitleg van deze vergunning brengt mee dat de vergunning ook daadwerkelijk is beperkt tot deze hoeveelheid en/of waarde. Voor zover een vergunninghouder de hoeveelheid en/of waarde overschrijdt, beschikt hij niet over de vereiste vergunning en ontstaat een douaneschuld op de voet van art. 204 CDW dan wel 79 DWU. Het bepaalde in art. 293(3) UCDW doet hieraan niet af volgens de A-G, nu de opsomming van de gegevensvereisten in deze bepaling niet limitatief is. De A-G concludeert voorts dat het ontbreken van de vereiste vergunning niet kan worden hersteld op de voet van art. 212 bis CDW. Ook kan het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel belanghebbende niet baten, nu het relevante rechtskader voldoende duidelijk en nauwkeurig is. Daarnaast is het volgens de A-G mogelijk rente op achterstallen in rekening te brengen over douaneschulden die zijn ontstaan onder de vigeur van het CDW. Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel vereist volgens de A-G niet dat de Inspecteur de berekening van deze rente inzichtelijk maakt in de vooraankondiging van de utb. De overige voorgestelde middelen slagen evenmin. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
