Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2022:763

Parket bij de Hoge Raad · 25-08-2022 · zaaknummer 22/01334

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 25-08-2022
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

A-G Niessen heeft – naar aanleiding van geschillen inzake de vermogensrendementsheffing – een conclusie genomen over de vraag of, en zo ja, wanneer een feitenrechter gehouden is om de gevolgen van de collectieve uitspraak op bezwaar in zijn oordeel te betrekken bij behandeling van de individuele bezwaren in (hoger) beroep. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2015 tot en met 2018 aanslagen IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van respectievelijk € 15.475 (2015), € 16.246 (2016), € 17.018 (2017) en € 13.754 (2018). Belanghebbende en zijn partner hebben bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV 2015 tot en met 2018. De bezwaarschriften voor 2015 en 2016 vallen onder verschillende massale bezwaarprocedures waarop collectief uitspraak op bezwaar is gedaan. Op verzoek van belanghebbende zijn vervangende individuele uitspraken op bezwaar gedaan. De bezwaren voor de jaren 2017 en 2018 zijn gesplitst in een gedeelte waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt, en een gedeelte dat betrekking heeft op individueel bezwaar. Voor zowel de Rechtbank als het Hof was in geschil of de belastingheffing ter zake van het inkomen uit sparen en beleggen voor belanghebbende in de jaren 2015 tot en met 2018 geoorloofd is. Het Hof heeft kort gezegd geoordeeld dat voor de jaren 2015 tot en met 2018 – gelet op de financiële situatie van belanghebbende en zijn partner – geen sprake was van een individuele en buitensporige last. In cassatie voert belanghebbende verschillende klachten aan. De A-G begrijpt de eerste klacht van belanghebbende zo dat deze ziet op (i) de kwalificatie als belastingplichtige, (ii) de bevoegdheid van het Hof, en (iii) de geldigheid van de Nederlandse (belasting)wetgeving. De tweede klacht betoogt dat de aanslagen IB/PVV te hoog zijn vastgesteld en dat voor alle jaren rechtsherstel moet worden geboden op basis van het arrest van 24 december 2021. Voor zover belanghebbende klaagt over de aan hem opgelegde aanslagen IB/PVV voor de jaren 2015 tot en met 2018, zijn de oordelen van het Hof volgens de A-G in overeenstemming met de voor die jaren gewezen rechtspraak van de Hoge Raad en voor het overige niet feitelijk en onbegrijpelijk. Hoewel het Hof geen rekening had kunnen houden met de nuancering uit het arrest van 20 mei 2022, is de uitkomst van de uitspraak van het Hof wel daarmee in overeenstemming. Deze klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden. De overige klachten zijn manifest ongegrond en behoeven om die reden op grond van art. 81 Wet RO geen motivering. De A-G gaat ten overvloede in op de vraag of, en zo ja, wanneer de feitenrechter gehouden is om rekening te houden met de nuancering uit het arrest van 20 mei 2022. Die nuancering houdt in dat de feitenrechter – mede om redenen van proceseconomie – in zaken waarin een splitsing is gemaakt tussen de bezwaren die vallen onder het massaal bezwaar en de individuele bezwaren, de gevolgen van de collectieve uitspraak op bezwaar in zijn oordeel kan betrekken bij de behandeling van het (hoger) beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar. Deze vraag kan zich voordoen in situaties waarin: (i) de behandeling ter zitting bij de feitenrechter heeft plaatsgevonden vóór het arrest van 20 mei 2022, maar de uitspraak door de feitenrechter is gedaan na het arrest van 20 mei 2022, waarbij geen rekening is gehouden met de oordelen uit dit arrest, (ii) zowel de behandeling ter zitting van de feitenrechter als de uitspraak plaats heeft gevonden respectievelijk gedaan is nadat het arrest van 20 mei 2022 is gewezen, waarbij geen rekening is gehouden met de oordelen uit dit arrest, en (iii) belastingplichtigen nadat op grond van de collectieve uitspraak op massaal bezwaar rechtsherstel is geboden, verzoeken om ambtshalve vermindering en na afwijzing daarvan, in beroep gaan. De A-G meent dat het antwoord op de vraag of in die situaties de betreffende feitenrechter gehouden is om rekening te houden met de nuancering uit het arrest van 20 mei 2022, afhangt van (i) de uitlegging van de zinsnede “bij de behandeling van het (hoger) beroep”, en (ii) de vraag of de feitenrechter gehouden is om de nuancering van het arrest van 20 mei 2022 toe te passen. Met betrekking tot de eerste vraag leidt de A-G uit de systematiek van de Awb af dat de uitspraak onderdeel uitmaakt van de behandeling van het (hoger) beroep. Dit brengt volgens de A-G mee dat op grond van het arrest van 20 mei 2022 de feitenrechter de gevolgen van de collectieve uitspraak op bezwaar dus nog tot en met het doen van uitspraak kan meenemen in zijn beoordeling. Voor het antwoord op de tweede vraag analyseert de A-G de verschillende betekenissen van het woord ‘kunnen’. Naast de feitelijke definitie, heeft het woord volgens de A-G ook een meer juridische (al dan niet dwingende) betekenis. De A-G meent dat voor de betekenis in het onderhavige geval gekeken dient te worden naar de bredere context waarin het woord is gebruikt en de rol van de Hoge Raad als cassatierechter. Op basis van die context concludeert de A-G dat de feitenrechter bij het doen van de uitspraak gehouden is om rekening te houden met de overwegingen uit het arrest van 20 mei 2022. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.