Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2022:733

Parket bij de Hoge Raad · 02-08-2022 · zaaknummer 21/05170

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 02-08-2022
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

A-G Niessen heeft een conclusie genomen inzake een geschil over de vraag of terecht loonheffing is ingehouden op bonussen die zijn betaald aan een binnen een internationaal concern werkzame bestuurder met een dubbele hoedanigheid. Belanghebbende was van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2010 werkzaam bij een internationaal concern. Hij was onder meer statutair bestuurder van de Nederlandse holding, haar Nederlandse dochtermaatschappij en haar kleindochtervennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland. Daarnaast was belanghebbende ‘co-managing director’ van de Nederlandse holding. De andere co-managing director was CEO van [K], dat bestaat uit de concernactiviteiten in Argentinië en Brazilië. Belanghebbende is als bestuurder van de holding aanwezig geweest bij vergaderingen van de Raad van Commissarissen (RVC) van de holding in Argentinië op 22 en 23 september 2009 en in Brazilië op 18 en 19 maart 2010. Belanghebbende is voorts in maart 2007, juli 2007, juli 2008 en mei 2010 in Argentinië aanwezig geweest. Verder nam belanghebbende (als voorzitter) wekelijks via videoconferentie deel aan vergaderingen van [K]. De volledige arbeidsbeloning van belanghebbende werd door de Nederlandse dochtermaatschappij betaald. Omdat een deel van dit loon betrekking had op de groepsvennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland, is de totale arbeidsbeloning van belanghebbende uitgesplitst (de salary split). Aan belanghebbende is verder mondeling een bonus toegezegd in verband met de [K]-activiteiten (de [K]-bonus). De [K]-bonussen over 2009 en 2010 zijn in 2017 onder inhouding van loonheffing aan belanghebbende uitbetaald. Belanghebbende was op dat moment inwoner van Nederland. Voor de Rechtbank en het Hof was in geschil of deze inhouding op de [K]-bonussen terecht is. Nu belanghebbende in de jaren waarop de bonussen zien niet als statutair bestuurder was benoemd, voldoet hij niet aan het criterium om als bestuurder te worden aangemerkt. Daarmee komt belanghebbende volgens het Hof niet in aanmerking voor voorkoming van dubbele belasting. Ook belanghebbendes stelling dat sprake is van een nagekomen bestuurdersbate waarvoor hij recht heeft op een aftrek ter vermindering van dubbele belasting op grond van het Verdrag Nederland-Zwitserland faalt naar het oordeel van het Hof. Hoewel vaststaat dat belanghebbende statutair bestuurder was van de Zwitserse vennootschap, geldt dat belanghebbende volgens het Hof niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat over de [K]-bonussen in Zwitserland belasting is betaald. Volgens het Hof bestaat er verder onvoldoende direct verband tussen de werkzaamheden van belanghebbende ten behoeve van de vennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland en de [K]-bonussen. Belanghebbende heeft volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de [K]-bonussen zijn doorbelast aan, of anderszins ten laste zijn gekomen van de betreffende vennootschappen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende tot slot niet gerechtvaardigd erop kunnen vertrouwen dat ten aanzien van een gedeelte van de [K]-bonussen vrijstelling zou worden verleend, dan wel dat voorkoming zou worden verleend conform de door de Inspecteur geaccepteerde salary split. Belanghebbende komt met vier middelen op tegen dit oordeel van het Hof. Het eerste middel betoogt dat de bonussen moeten worden beschouwd als nagekomen (bestuurders)baten die betrekking hebben op de jaren 2009 en 2010, zodat het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 moet worden toegepast in plaats van het Verdrag uit 2010. Op basis van de tekst van art. 16 Verdrag Nederland-Zwitserland 2010, de geldende jurisprudentie en literatuur, ligt het volgens de A-G voor de hand om in geval van opvolgende verdragen de relevante verdragsbepalingen toe te passen die gelden op het genietingstijdstip. Op grond van art. 13a Wet LB is dit het moment waarop de bonussen worden betaald, namelijk in 2017. De oordelen van het Hof op dit punt getuigen volgens de A-G dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn overigens ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het tweede middel klaagt dat het Hof een te strenge eis heeft gesteld aan de toepassing van het vertrouwensbeginsel. Aan de omstandigheid dat het standpunt van belanghebbende bij de aanslagen over voorgaande jaren is gevolgd, kan volgens de A-G niet zonder meer het in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat de Inspecteur dit standpunt ook in latere jaren zal volgen. De aanslagen IB/PVV zijn niet vastgesteld nadat belanghebbende de [K]-bonussen uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, zodat van een bewuste standpuntbepaling met betrekking tot de betreffende kwestie door de Inspecteur geen sprake is. Dit middel faalt derhalve. Met het derde middel betoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het begrip ‘lid van de raad van beheer’ uit art. 16 Verdrag Nederland-Brazilië formeel moet worden uitgelegd. Op grond van art. 3, lid 2, Verdrag dient volgens de A-G voor de uitlegging van het begrip ‘lid van de raad van beheer’ te worden aangesloten bij de betekenis van dit begrip onder de nationale wetgeving. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad leidt de A-G af dat sprake is van een formeel bestuurdersbegrip. Nu belanghebbende in 2009 en 2010 niet als statutair bestuurder was benoemd van de Braziliaanse vennootschap, heeft belanghebbende volgens het Hof geen recht op voorkoming van dubbele belasting. Dit oordeel getuigt naar het oordeel van de A-G niet van een onjuiste rechtsopvatting en is overigens ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Met het vierde middel betoogt belanghebbende dat het criterium dat het Hof heeft gehanteerd bij beantwoording van de vraag of sprake is van een voldoende direct verband onjuist is. De A-G leidt uit de geldende jurisprudentie en literatuur af dat het ‘door of namens’ criterium, en daarmee de geïndividualiseerde doorbelasting van kosten, in algemene zin ook relevant is bij beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de bestuurdersbeloning en de verrichte werkzaamheden. De oordelen van het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bonussen zijn doorbelast en dat gelet daarop onvoldoende direct verband bestaat, getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting, zijn niet onbegrijpelijk en berusten voor het overige op de aan de feitenrechter voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.