ECLI:NL:PHR:2022:67
Parket bij de Hoge Raad · 27-01-2022 · zaaknummer 21/01297
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of belanghebbende recht heeft op overlegging van alle relevante stukken en of de 67f-boete terecht is opgelegd. Het gaat om het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 12 november 2020, nr. BK-20/00495. Belanghebbende is aangemerkt als een fiscale eenheid voor de omzetbelasting bestaande uit twee besloten vennootschappen. Belanghebbende heeft haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 ingediend op 8 juli 2016. Onderdeel van die aangifte is de jaarrekening 2014 waarin een balanspost te betalen omzetbelasting is opgenomen, met als toelichting omzetbelasting suppletie 2014: € 127.219. De aangifte vennootschapsbelasting voor 2015 is gedaan op 20 december 2016. In die aangifte is een bedrag aan verschuldigde en nog te betalen omzetbelasting van € 216.921 opgenomen. Op 5 april 2018 is een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende naar de aanvaardbaarheid van haar aangiften omzetbelasting over de jaren 2014 en 2015. Op 13 en 16 april 2018 heeft belanghebbende suppleties ingediend op de aangiften omzetbelasting voor 2014 en 2015. Op basis van het opgemaakte controlerapport is de Inspecteur overgegaan tot oplegging van: 1. een naheffingsaanslag omzetbelasting tot een bedrag van in totaal € 235.458; 2. een beschikking belastingrente tot een bedrag van € 31.276; 3. een 50%-vergrijpboete op grond van artikel 67f van de AWR, wegens opzettelijk althans grofschuldig niet tijdig hebben voldaan van de verschuldigde omzetbelasting; en 4. een 50%-vergrijpboete op grond van artikel 10a van de AWR, wegens het opzettelijk althans grofschuldig niet tijdig en op de juiste wijze (suppletie-aangifte) hebben gedaan van de mededeling van onvolledige voldoening van omzetbelasting. De onderhavige zaak ziet op de eerste drie beschikkingen. De 10a-boete is in geschil in de samenhangende zaak 20/04198, met conclusie van heden. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de tenaamstelling van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking juist is. Het betoog van belanghebbende dat er vanaf 29 juni 2012 geen sprake meer is van een fiscale eenheid in zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 faalt. Daarom zijn de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht op naam van de fiscale eenheid gesteld. Voorts heeft de Rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan een tijdige verzending van de naheffingsaanslag en boetebeschikking naar het juiste adres en heeft zij aannemelijk geacht dat belanghebbende (een duplicaat van) de naheffingsaanslag en boetebeschikking heeft ontvangen. Het Hof heeft geoordeeld dat het oordeel van de Rechtbank over de tenaamstelling en bekendmaking van de boetebeschikking juist is. Het Hof is verder voorbij gegaan aan de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur met betrekking tot de boetebeschikking niet heeft voldaan aan de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te brengen. Dit reeds omdat zich bij de gedingstukken een schermprint bevindt die de gegevens van de boete vermeldt. Tegen deze oordelen van het Hof komt belanghebbende op met haar eerste en tweede middel. Volgens de A-G is het Hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door aan het verzoek om duplicaten van de aanslag en beschikkingen voorbij te gaan omdat het geschilpunt ten nadele van belanghebbende kan worden afgedaan op grond van een ander bewijsmiddel, te weten de schermprints. Verder merkt de A-G op dat de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, geldt ongeacht of bij voorbaat vast staat dat de belanghebbende gebaat is bij het overleggen van de desbetreffende stukken of al bekend zou zijn dat de belanghebbende is geschaad in zijn belangen indien deze stukken niet worden overgelegd. De overlegging dient mede om dat na te gaan. Aldus slaagt belanghebbendes eerste middel. Het tweede middel slaagt voor zover dat gericht is tegen het oordeel omtrent tijdige verzending en ontvangst van de naheffingsaanslag met boetebeschikking. Uit de Hofuitspraak blijkt namelijk niet dat en hoe het Hof heeft vastgesteld dat de Inspecteur de tijdige verzending aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof heeft het opleggen van een 67f-boete terecht geacht, echter met matiging tot op € 20.000, zijnde ongeveer 10 percent. Het derde middel van belanghebbende is gericht op algehele vernietiging van die boete. Dit faalt omdat het Hof is gebleven binnen de rechtsstrijd en het aan de bestuursrechter is om, in het licht van de door deze zelfstandig te bepalen en te wegen omstandigheden van het geval, te komen tot een boete oplegging welke passend en geboden te achten is. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
