Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2021:854

Parket bij de Hoge Raad · 22-09-2021 · zaaknummer 20/03247

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 22-09-2021
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of belanghebbende als feitelijk bestuurder van een taxi is aan te merken, zodat hem mede het recht toekomt bezwaar te maken tegen de aan de B.V., als kentekenhouder, opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting. Formele aspecten van dictum, bezwaar en beroep. Ambtshalve onderzoek doen naar ontvankelijkheid. Het niet toekennen van een proceskostenvergoeding ondanks gegrond hoger beroep. Het gaat om het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 18 augustus 2020, nrs. 18/00384 t/m 18/00392 en 18/00394 t/m 18/00397, ECLI:NL:GHAMS:2020:2278. De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam heeft in totaal veertien naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan een B.V. als kentekenhouder van de taxi’s. De naheffingsaanslagen zijn opgelegd omdat de in de naheffingsaanslagen vermelde auto’s waren geparkeerd op diverse locaties in Amsterdam en bij controle was gebleken dat daarvoor geen parkeerbelasting betaald was. De bezwaren van belanghebbende – een natuurlijk persoon, niet de B.V. – tegen de naheffingsaanslagen heeft de heffingsambtenaar in dertien gevallen ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het beroep in de veertien zaken vervat in een gezamenlijke uitspraak. In één geval heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de naheffingsaanslag reeds naar aanleiding van het bezwaar vernietigd was. In twee gevallen heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, zij het slechts omdat de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren aangezien de bezwaarschriften niet tijdig waren ingediend. In zoverre heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, met vergoeding van griffierecht in die twee zaken en met veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten ad € 501. In de overige elf zaken heeft de Rechtbank de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard. In hoger beroep bij het Hof is op het onderzoek ter zitting van de zijde van belanghebbende niemand verschenen. Het Hof heeft daarop een raadsheer-commissaris aangewezen om verder vooronderzoek te verrichten, met name door het horen van belanghebbende over de feitelijke gang van zaken ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen. Het Hof wilde namelijk meer inzicht krijgen in de vraag of het belanghebbende was die de taxi’s had neergezet zonder parkeerbelasting te betalen. Alsdan zou aan belanghebbende als feitelijk bestuurder – hoewel niet de kentekenhouder – mede het recht van bezwaar toekomen. Belanghebbende is ter zitting weer niet verschenen. Het Hof heeft vervolgens op 18 augustus 2020 uitspraak gedaan. Belanghebbende is door het Hof niet aangemerkt als de feitelijke bestuurder van de geparkeerde taxi’s waarop de naheffingsaanslagen ten name van de B.V., als kentekenhouder, zien. Het Hof heeft in zijn dictum de tegen de uitspraken op bezwaar ingediende beroepen alsnog niet-ontvankelijk verklaard, in zoverre met vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Overigens heeft het Hof, ondanks de vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gezien de gang van zaken, geen aanleiding gezien om aan belanghebbende een vergoeding van de kosten in hoger beroep toe te kennen. Met zijn tweede klacht in cassatie komt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet de feitelijke bestuurder was. Dienaangaande wijst de A-G op het volgende. Het Hof heeft aan zijn oordeel ten eerste ten grondslag gelegd dat door belanghebbende niets is aangevoerd of overgelegd (bijvoorbeeld een verklaring van de B.V. of rittenstaten) dat zijn bewering inhoudende dat hij degene was die de auto’s feitelijk heeft neergezet ondersteunt. Ten tweede heeft het Hof in aanmerking genomen dat het met name onaannemelijk is dat belanghebbende degene geweest is die op 24 februari 2017, conform het overzicht van waarnemingen – na telkens te zijn gewisseld van auto – zes verschillende taxi’s op tenminste vijf verschillende parkeerlocaties heeft neergezet. Ten derde heeft het Hof belang gehecht aan de processuele houding van belanghebbende waar deze, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet is verschenen ter zitting om uitleg te geven over de feitelijke gang van zaken ten tijde van het parkeren. In dit kader memoreert de A-G dat de belastingrechter – onafhankelijk van stelling of betwisting door een partij – bij de beoordeling of een bij hem ingesteld rechtsmiddel ontvankelijk is, gehouden is ambtshalve onderzoek te doen naar de aannemelijkheid van feiten die door een partij in dat verband worden aangevoerd. Op een en ander stuit de tweede klacht af. In de eerste klacht wordt formeelrechtelijke kritiek geleverd op de inhoud van ’s Hofs dictum. De A-G meent dat deze klacht in zoverre slaagt dat het Hof in zijn dictum de bezwaren niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond had moeten verklaren. Overigens meent de A-G dat de door het Hof vastgestelde omstandigheden rechtvaardigen aan belanghebbende, ondanks vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, geen proceskostenvergoeding toe te kennen, zodat de daartegen gerichte derde klacht faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.