Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2021:744

Parket bij de Hoge Raad · 06-08-2021 · zaaknummer 20/01560

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 06-08-2021
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Op 12, 13 en 14 oktober 2015 zijn in naam en voor rekening van belanghebbende negen aangiften gedaan voor in het vrije verkeer brengen van zonnepanelen. Het land van oorsprong van de zonnepanelen is de Volksrepubliek China. Bij de aangiften zijn verbinteniscertificaten overgelegd die zijn opgemaakt door de Chinese Kamer van Koophandel. Ten tijde van het doen van de aangiften was de op de certificaten vermelde vervaldatum verstreken. In verband met de invoer zijn aan belanghebbende negen uitnodigingen tot betaling uitgereikt. Tot de gedingstukken behoren vier verbinteniscertificaten, waarvan er drie betrekking hebben op de hiervoor bedoelde invoeraangiften. Bij besluit van 2 augustus 2013 (2013/423/EU) heeft de Commissie de aanvaarding bevestigd van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China. In de bijlage met de producenten-exporteurs voor wie de verbintenis is aanvaard, wordt de producent van de onderhavige zonnepanelen genoemd. Bij uitvoeringsbesluit van 4 december 2013 (2013/707/EU) heeft de Commissie, na de vaststelling van het definitieve antidumpingrecht, de aanvaarding van voormelde verbintenis bevestigd. Dit besluit heeft ook betrekking op de antisubsidieprocedure die heeft geleid tot de instelling van het compenserende recht. Op 24 november 2015 is namens belanghebbende een verzoek om terugbetaling ingediend voor de antidumpingrechten en compenserende rechten, omdat in de aangiften abusievelijk geen verwijzing naar bescheidcode D017 was opgenomen. Hierdoor is volgens belanghebbende ten onrechte geen vrijstelling voor de antidumpingrechten en compenserende rechten verleend. De Inspecteur heeft het verzoek om terugbetaling afgewezen en, na gemaakt bezwaar, de beschikking gehandhaafd. De rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank) heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. De Rechtbank constateert allereerst dat tussen partijen niet in geschil is dat ten tijde van de op 12 en 13 oktober 2015 gedane aangiften voor het brengen in het vrije verkeer van de zonnepanelen de vervaldatum van de bijgevoegde verbinteniscertificaten was verstreken en oordeelt vervolgens dat aard en strekking van een vervaldatum meebrengen dat een verbinteniscertificaat na het verstrijken van de vervaldatum niet meer geldig is. Met het overleggen van een verlopen certificaat is niet voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van antidumpingrecht en compenserend recht zodat een douaneschuld is ontstaan. De Rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat als zonnepanelen die na het verstrijken van de vervaldatum van het bijbehorende certificaat zouden zijn vrijgesteld van de rechten, een doeltreffend toezicht door de Commissie niet mogelijk zou zijn. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Naar het oordeel van het Hof ligt in de term ‘vervaldatum’, mede gelet op de Engelse, Franse en Duitse taalversies, besloten dat door het verstrijken van de vermelde datum het verbinteniscertificaat zijn geldigheid verliest. Het Hof acht het niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met een ongeldig verbinteniscertificaat geen aanspraak (meer) kan worden gemaakt op de vrijstelling. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld. Het middel betoogt dat het Hof het recht heeft geschonden door te oordelen dat in de term vervaldatum besloten ligt dat door het verstrijken van de vermelde datum het verbinteniscertificaat zijn geldigheid verliest. In de toelichting op het middel wijst belanghebbende erop dat de vervaldatum nog niet was verstreken op het moment dat de goederen bij de douane zijn aangebracht. In hoofdstuk 2 van de conclusie behandelt A-G Ettema eerst de wettelijke bepalingen die gelden voor de vrijstelling van antidumpingrechten en compenserende rechten. Vervolgens bespreekt de A-G de regels over de geldigheid van bewijzen die worden gevraagd voor toepassing van een aanverwante regeling binnen het douanerecht: certificaten van oorsprong. Voor deze bewijzen geldt dat deze bij verlate indiening kunnen worden aanvaard door de douaneautoriteiten indien de goederen vóór het verstrijken van de geldigheidstermijn bij hen zijn aangebracht. In hoofdstuk 3 beoordeelt de A-G vervolgens het middel. De A-G komt tot de bevinding dat voor de toepassing van de vrijstelling de vervaldatum van een verbinteniscertificaat in beginsel niet mag zijn verstreken op het moment dat de douaneautoriteiten de aangifte voor het vrije verkeer aanvaarden. De A-G acht het niet boven redelijke twijfel verheven dat de vrijstelling in zo’n geval toch moet worden verleend, indien de goederen voor het verstrijken van de vervaldatum bij de douaneautoriteiten zijn aangebracht. De A-G geeft de Hoge Raad daarom in overweging hierover een prejudiciële vraag te stellen.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.