Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2021:709

Parket bij de Hoge Raad · 14-07-2021 · zaaknummer 21/00184

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 14-07-2021
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

In geschil is of zogenoemd correctiebeleid de inspecteur belet na te vorderen wanneer de te betalen belasting minder is dan € 450, maar de inkomenscorrectie meer is dan € 1.000. Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag opgelegd tot een te betalen bedrag van € 427 naar aanleiding van een inkomenscorrectie van € 2.623. Nadien is deze aanslag verminderd tot € 223, wat overeenkomt met een inkomenscorrectie van € 1.986. Volgens punt 4 van onderdeel 2 van het correctiebeleid bedraagt “[h]et te hanteren bedrag bij een navordering € 450 (c.q. € 1.000 inkomen), behoudens in gevallen waarin sprake is van kwade trouw of repeterende onjuistheden. (…)”. Naar het oordeel van het Hof belet dit beleid het opleggen van de navorderingsaanslag. Het Hof acht de betekenis van de gebruikte woorden “€ 450 (c.q. € 1.000 inkomen)” niet direct begrijpelijk en betrekt bij een redelijke uitleg daarvan mede de overige onderdelen van het correctiebeleid. Dit brengt het Hof tot de slotsom dat navordering achterwege blijft als de te betalen belasting hoogstens € 450 bedraagt, ook al overtreft de inkomenscorrectie € 1.000. Het Hof verwerpt de stelling van de Inspecteur dat de afkorting “c.q.” de betekenis heeft van “of”. De Staatssecretaris acht de uitleg van het correctiebeleid door het Hof onjuist. Hij betoogt dat de correctiegrenzen steeds zijn uitgewerkt in inkomensbedragen. Daarom gaat het bij navordering om een inkomenscorrectiegrens van € 1.000, ook al noemt het correctiebeleid een bedrag van € 450 aan verschuldigde belasting. Ook betoogt hij dat die uitleg ongerijmd is. Volgens het Hof mag de inspecteur omvangrijke inkomenscorrecties niet aanbrengen zolang de daarover verschuldigde belasting minder bedraagt dan € 450. Dit kan niet zijn bedoeld, aldus de Staatssecretaris. Tot slot betoogt hij dat het Hof ten onrechte de stelling van de Inspecteur heeft verworpen dat de afkorting “c.q.” “of” betekent. Daarentegen acht belanghebbende de uitleg van het correctiebeleid door het Hof juist. Volgens haar is de tekst vatbaar voor tweeërlei uitleg en prevaleert daarom de uitleg die gunstig is voor belastingplichtigen. A-G Niessen stelt voorop dat als uitgangspunt voor de uitleg van het correctiebeleid geldt dat belastingplichtigen worden geacht dit beleid te hebben begrepen zoals het naar de objectieve beschouwing van de rechter redelijkerwijs moet worden opgevat. Daarmee is zowel de lezing van de Staatssecretaris als die van belanghebbende ogenschijnlijk niet onmiddellijk te verenigen. Immers, in de lezing van de Staatssecretaris mist de grens van € 450 zelfstandige betekenis, terwijl in die van belanghebbende de grens van € 1.000 zelfstandige betekenis mist. Het lijkt de A-G niet redelijk om zelfstandige betekenis toe te kennen aan één van de grenzen met geheel voorbijgaan aan de ander. Vervolgens constateert de A-G dat de vraag welke lezing van het correctiebeleid in een geval als hier juist is, (ook) de feitenrechters verdeelt. Zo zijn het gerechtshof Amsterdam en de rechtbank Noord-Holland van oordeel dat navordering achterwege blijft als de na te vorderen belasting hoogstens € 450 is én de inkomenscorrectie hoogstens € 1.000 is. Tegen deze lezing, waarin beide grenzen nevengeschikt zijn, kan worden ingebracht dat de grens van € 1.000 is verwoord tussen haakjes en dus in het zinsverband ondergeschikt is aan die van € 450. Daarentegen leest de rechtbank Noord-Nederland dit beleid zo dat ook bij een inkomenscorrectie van meer dan € 1.000 navordering uitblijft, mits de na te vorderen belasting hoogstens € 450 bedraagt. Deze rechtbank ziet de betekenis van de grens van € 1.000 beperkt tot die van een handvat voor de uitvoeringspraktijk. Uit HR BNB 2020/134 maakt de A G op dat voor een redelijke uitleg van het correctiebeleid mede van belang is dat dit beleid navordering in voorkomende gevallen niet passend acht vanuit zowel het perspectief van een doelmatige belastingheffing door de inspecteur als dat van daaraan meewerkend gedrag van belastingplichtigen. De A-G constateert dat waar het spreekt van dit tweeledige perspectief, het beleid dit betrekt op het bedrag aan te betalen belasting, niet op dat van de inkomenscorrectie. Daarmee strookt niet het betoog van de Staatssecretaris dat de grenzen van € 450 en € 1.000 nevengeschikt zijn: het is juist (te) ondoelmatig en (te) inconveniërend voor belastingplichtigen om voor (te) geringe bedragen belastingaanslagen op te leggen. Ook is de grens van € 1.000 verwoord als ondergeschikt aan die van € 450. Overigens behandelt het beleid belastingplichtigen gelijk naar gelang van het door ieder van hen te betalen bedrag aan belasting. Het betoog van de Staatssecretaris leidt juist tot een verschil in behandeling tussen belastingplichtigen met hetzelfde bedrag aan te betalen belasting bij een verschil in inkomenscorrectie. De A-G acht dit ongerijmd. Het betoog van de Staatssecretaris dat “c.q.” “of” betekent, strookt niet ermee dat deze afkorting voortkomt uit het Latijn en in het Nederlands een eenduidige betekenis mist. Zo die betekenis juist is, zouden wederom beide grenzen nevengeschikt zijn, wat niet strookt met de tekst of doel en strekking van het correctiebeleid. Wie ‘c.q.’ strikt vertaalt, komt op ‘in welk geval het is’. Deze vertaling impliceert dat de grens van € 1.000 is bedoeld als het equivalent van de na te vorderen belasting van € 450 en dus is bedoeld voor diegenen bij wie de inkomenscorrectie in de hoogste schijf valt. Dat is niet zo bij belanghebbende. Hoewel de A-G niet uitsluit dat belastingplichtigen de grens van € 1.000 redelijkerwijs alleen hebben kunnen begrijpen als praktisch handvat, laat de tekst van het correctiebeleid de betekenis van deze grens onduidelijk, terwijl inkomenscorrecties en belastingbedragen als ongelijke grootheden niet toepasbaar zijn als alternatieven. Net zo min zijn andere lezingen van de tekst aannemelijk. Het komt de A-G dan ook voor dat in rechte geen betekenis kan toekomen aan die grens. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond wordt verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.