ECLI:NL:PHR:2021:413
Parket bij de Hoge Raad · 19-04-2021 · zaaknummer 20/02392
Inhoudsindicatie
(i) Structureel aangifteverzuim; omkering bewijslast; redelijkheid schatting NV-winst; salarisschatting wijkt af van gebruikelijk-loonbijtelling in de eveneens bewijslast-omgekeerde IB-zaak van de DGA. (ii) corona-zitting met telefonische verbinding Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid; art. 6 EVRM; goede procesorde Feiten: De belanghebbende is een NV. Haar directeur houdt alle aandelen en verricht haar werkzaamheden. Zij heeft over 2000 t/m 2015 geen aangiften Vpb gedaan. Ook voor het geschiljaar 2012 is zij uitgenodigd tot, herinnerd aan en aangemaand tot het doen van aangifte, alles vergeefs. De Inspecteur heeft de aanslag Vpb 2012 van ambtswege opgelegd, en ook een verzuimboete en beschikking belastingrente. Op dezelfde Hofzitting is de IB-zaak van belanghebbendes dga behandeld, waarin eveneens de bewijslast was omgekeerd wegens aangifteverzuim. In de IB-zaak heeft het Hof onder meer de gebruikelijk-loonregeling (art. 12a Wet LB 1964) van toepassing geacht, op basis waarvan bij de dga € 42.000 loon in aanmerking genomen. In belanghebbendes zaak zijn echter slechts - op basis van door haar overgelegde stukken - personeelskosten ad € 6.861 in aanmerking is genomen De Rechtbank achtte het pas in bezwaar ingediende aangiftebiljet niet de vereiste aangifte, zodat de bewijslast ten nadele van de belanghebbende is omgekeerd en verzwaard, die niet overtuigend heeft aangetoond dat en in hoeverre de aanslag te hoog is vastgesteld. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag rekening gehouden met alle hem bekende gegevens, waarmee die aanslag op een redelijke schatting berust. Het Hof heeft zich aangesloten bij de overwegingen en het oordeel van de Rechtbank. De belanghebbende stelt twee cassatiemiddelen voor. Middel I het Hof is ongemotiveerd voorbij gegaan aan zijn eigen oordeel in de IB-zaak, behandeld op dezelfde zitting, waarin een gebruikelijk loon van € 42.000 in aanmerking is aangenomen; een aftrek personeelskosten ad slechts € 6.861 bij de belanghebbende kan dan geen redelijke schatting zijn en is in elk geval ongemotiveerd. Middel II art. 6 EVRM en een goede procesorde zijn geschonden omdat (i) belanghebbendes dga in verband met COVID-19 niet op ’s Hofs zitting aanwezig kon zijn, (ii) haar verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling is afgewezen en (iii) zij door de gebrekkige telefoonverbinding tijdens de zitting haar standpunten niet voldoende naar voren heeft kunnen brengen. A-G Wattel acht Middel II gegrond, gegeven de uitspraak van de Hoge Raad van 9 april 2021 in de IB-zaak van de dga. De A-G gaat daarom alleen in op Middel I. In beide zaken is de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Ook daarzonder was het aan de dga om te bewijzen dat het gebruikelijke loon lager was dan de wettelijke arm’s length schatting ex art. 12a(1) en (3) Wet LB. De aftrek van personeelskosten ad € 6.861 bij de belanghebbende is gebaseerd op stukken die zij zelf heeft overgelegd. Dat een salarispost ad € 6.861 bij de betaler en een salarispost ad € 42.000 bij de ontvanger onderling onverenigbaar zijn, wil nog niet zeggen dat die eerste post onjuist is geschat. Wellicht is de tweede te hoog. Bovendien impliceert eventueel overtuigend bewijs van de onjuistheid van het bedrag van € 6.861 nog geenszins overtuigend bewijs dat – en in hoeverre - de aanslag vennootschapsbelasting te hoog is; de omkering en verzwaring van de bewijslast geldt immers voor de gehele aanslag; niet slechts één post. Er waren, gegeven het ontbreken van aangiften, diverse punten van onduidelijkheid en geschil, waaronder de omvang van belanghebbendes opbrengsten. Het feitelijke, althans bewijsoordeel van het Hof dat de onjuistheid van de aanslag niet overtuigend is gebleken, noch dat de schatting willekeurig was, lijkt A-G Wattel niet onbegrijpelijk. De vraag rijst nog of de belanghebbende vertrouwen kan ontlenen aan het optreden van de Inspecteur IB jegens de dga. De bevoegde Inspecteur (Vpb) zou daarvoor zodanig hebben moeten handelen dat zij er redelijkerwijze vanuit mocht gaan dat het optreden van de Inspecteur IB ter zake van het salaris jegens de dga ook zou gelden voor de heffing van de Vpb. Dergelijke omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken . Van coördinatie aan de kant van de belastingdienst is pas in de hoger-beroepsfase gebleken, toen de Inspecteur Vpb ook de IB-zaak overnam omdat zijn behandelende IB-collega met pensioen ging. Van enige (toerekenbare schijn van) materiële (klant)coördinatie bij de aanslagregeling, in bezwaar of in beroep is niet gebleken. Dan rijst de vraag rijst nog of het Hof aan zijn eigen uitspraak in de Inkomstenbelastingzaak gebonden geacht moet worden. De A-G meent van niet. Niet alleen gaat het niet om dezelfde belastingplichtige en ook niet om dezelfde belasting, maar in verband met (i) de omkeringen van de bewijslasten in beide zaken, (ii) het gegeven dat die omkeringen in beide belastingen de gehele aanslagen, althans alle geschilpunten omvatten en (iii) het gegeven dat in elk geval voor de vennootschapsbelasting meer significante onduidelijkheden en geschilpunten bestonden dan alleen de salariskosten, spreken de twee Hofuitspraken elkaar niet tegen: de schattingen van beide belastingen kunnen nog steeds niet-onredelijk zijn, ook als ze op (slechts) één punt (de salariskosten) niet met elkaar stroken. A-G Wattel acht Middel I ongegrond. Conclusie: middel I ongegrond; middel II gegrond; verwijzen naar hetzelfde gerechtshof als dat waarnaar de inkomstenbelastingzaak van de dga is verwezen.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
